Vraagtekens

Belastingplan 2016: Gebruikelijkheidscriterium WKR aangescherpt

27 oktober 2015

In het wetsvoorstel Overige Fiscale Maatregelen 2016 wordt voorgesteld om het gebruikelijkheidscriterium in de werkkostenregeling aan te scherpen. Doel van deze maatregel is om de mogelijkheden te verbeteren om tariefarbitrage te bestrijden.

1079_2015-belastingplan-002.jpg
Een werkgever kan onder de werkkostenregeling vergoedingen en verstrekkingen voor zijn werknemers aanwijzen als eindheffingsbestanddeel. De werknemer kan deze vergoedingen en verstrekkingen belastingvrij incasseren, de werkgever kan die als loonkosten opvoeren. De werkgever is een eindheffing van 80% verschuldigd indien en voor zover het totaal van de door hem aangewezen vergoedingen en verstrekkingen uitkomt boven de 1,2% van de fiscale loonsom over dat jaar. Die 80% heffing is hoog, maar veelal toch lager dan het tarief bij een individuele brutering. Als een loonbestanddeel bij de werknemer onder de 52%-heffing valt, komt het individueel gebruteerde tarief voor de werkgever uit op 108,3%. Wordt datzelfde loonbestanddeel boven de vrije ruimte verstrekt, dan kost dat de werkgever 80% belasting. Bij werknemers die in lager tarief vallen kan overschrijding van de vrije ruimte voordeliger uitvallen doordat de werkgever over het surplus geen werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet verschuldigd is. Zie ook BelastingBelangen, december 2014: WKR: overschrijding vrije ruimte altijd voordelig?

Voorgesteld wordt om het gebruikelijkheidscriterium aan te passen om deze tariefarbitrage beter te kunnen bestrijden. De huidige wettekst “voor zover deze vergoedingen en verstrekkingen niet in belangrijke mate hoger zijn dan in voor het overige overeenkomstige omstandigheden gebruikelijk is” wordt vervangen door “voor zover de omvang van de aangewezen vergoedingen en verstrekkingen niet in belangrijke mate groter is dan de omvang van de vergoedingen en verstrekkingen die in voor het overige overeenkomstige omstandigheden in de regel worden aangewezen” .
In de voorgestelde wettekst staat het aanwijzen als eindheffingsbestanddeel veel meer centraal. Dat aanwijzen moet gebruikelijk zijn, en niet zozeer de omvang van de vergoedingen en verstrekkingen. Bij de toets of voldaan is aan het gebruikelijkheidscriterium speelt een aantal factoren een rol. Daarbij gaat het met name om de aard en de omvang van de vergoeding of verstrekking. Ook het totaalbedrag van de voor een werknemer aangewezen vergoedingen en verstrekkingen in een kalenderjaar is van belang. Bij de beoordeling of iets gebruikelijk is, moet een vergelijking worden gemaakt met andere werknemers. Met alle werknemers bij de desbetreffende werkgever, met de collega’s in dezelfde functiecategorie, en vervolgens met werknemers van andere werkgevers, in dezelfde bedrijfssector en daarbuiten. Is die laatste vergelijking niet mogelijk, dan kan de aanwijzing ook naar redelijkheid worden beoordeeld.

Commentaar
De werkkostenregeling biedt werkgevers en werknemers goede mogelijkheden om het bruto-netto traject in te korten, om de wig te verkleinen. Een werkgever kan de werknemer een vergoeding of verstrekking als eindheffingsloon belastingvrije toekennen en hem vragen om in ruil daarvoor een loonoffer te brengen, bruto loon in te leveren. De aanscherping van het gebruikelijkheidscriterium maakt dat een stuk lastiger.
Terug naar boven