Vraagtekens

Belastingplan 2018

25 september 2017

Tarieven en heffingskortingen


Aanpassing tarief loon- en inkomstenbelasting
Het tarief in de inkomstenbelasting blijft vrijwel ongewijzigd, de bovengrens van de derde schijf – het startpunt voor de 52% heffing – wordt opgetrokken van € 67.072 naar € 68.508.
Het tarief 2018 luidt als volgt:

Tarief 2018

Belastbaar inkomen tarief tot
AOW-leeftijd
tarief boven
AOW-leeftijd
1e schijf nihil tot € 20.142 36,55% (36,55%) 18,65% (18,65%)
2de schijf van € 20.143 tot € 33.994 40,85% (40,80%) 22,95% (22.90%)
3de schijf van € 33.995 tot € 68.507 40,85% (40,80%) 40,85% (40,80%)
4de schijf van € 68.508 51,95% (52,00%) 51,95% (52,00%)

1302_2017-belastingplan-001.jpg
Heffingskortingen
Het maximum van de algemene heffingskorting gaat met € 11 omhoog naar € 2.265 voor belastingplichtigen onder de AOW-leeftijd. De korting neemt geleidelijk af, tot nihil bij een belastbaar inkomen in box 1 van € 67.500.
Het maximum van de heffingskorting bóven de AOW-leeftijd wordt € 1.157; ook deze korting neemt gefaseerd af tot nihil.

Het maximum van de arbeidskorting wordt in 2018 iets verhoogd, van € 3.223 naar € 3.249. De arbeidskorting is inkomensafhankelijk en neemt af naarmate de arbeidsinkomsten hoger zijn. Het startpunt van de afbouw ligt bij € 32.720; het afbouwpercentage voor 2018 is 3,6% (2017: idem).
De ouderenkorting wordt verhoogd en komt uit op € 1.418 voor pensioengerechtigden met een inkomen tot € 36.363 en € 72 voor hogere inkomens.


Maatregelen voor particulieren


Tijdklemmen kapitaalverzekering eigen woning vervallen
Veel huiseigenaren hebben een kapitaalverzekering of spaarrekening eigen woning afgesloten. Met zo’n verzekering of spaarrekening kan eigen vermogen worden gespaard om te zijner tijd de eigenwoningschuld geheel of gedeeltelijk af te lossen. De uitkering uit deze kapitaalverzekering of spaarrekening is onder voorwaarden belastingvrij. Om voor die vrijstelling in aanmerking te komen moet minimaal 15 of 20 jaar lang jaarlijks premie zijn betaald of ingelegd: de tijdklem. Per 1 april 2017 zijn deze tijdklemmen vervallen. Zie ook BelastingBelangen, februari 2017: Kapitaalverzekeringen: tijdklemmen afgeschaft.
Deze aanpassing wordt alsnog in de wet vastgelegd.
Huiseigenaren met een nog lopende kapitaalverzekering kunnen die vanaf 1 april 2017 in alle situaties desgewenst voortijdig beëindigen. Het is de vraag of dat financieel verstandig is. Bij een kapitaalverzekering eigen woning wordt het hoogste rendement op dat spaarproduct in de laatste jaren gemaakt: een voortijdige beëindiging kan een flink deel van de renteopbrengst kosten.

Box 3-heffing: forfaitaire rendementen in 2018
De belastingheffing in box 3, de vermogensrendementsheffing, is per 1 januari 2017 ingrijpend aangepast. Zie ook BelastingBelangen, oktober 2015: Belastingplan 2016: Herziening box 3-heffing per 2017.
Het forfaitaire stelsel in box 3 blijft nog wel enkele jaren gehandhaafd. Staatssecretaris Wiebes van Financiën heeft de Tweede Kamer toegezegd om de forfaitaire heffingspercentages van box 3 tijdig, ruim vóór het betreffende jaar bekend te maken. De staatssecretaris heeft onlangs de percentages voor 2018 bekend gemaakt: voor sparen wordt het in 1,30% (2017: 1,63%) en voor beleggen 5,38% (2017: 5,39%). Zie ook BelastingBelangen, oktober 2015: Belastingplan 2016: Herziening box 3-heffing per 2017.

Pleegzorgvergoedingen: ook in 2018 vrijgesteld
De wetgever heeft per 1 januari 2013 een belastingvrijstelling ingevoerd voor pleegzorgvergoedingen. Deze vrijstelling kent een horizonbepaling tot ultimo 2017. In het Belastingplan 2018 wordt voorgesteld om de vrijstelling met een jaar te verlengen omdat de beleidsevaluatie door het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport nog niet is afgerond. In de loop van 2018 wordt bekeken of de vrijstelling structureel kan worden gemaakt.

Vrijstelling tegemoetkoming kinderopvang
Gemeenten zijn sinds 1 januari 2005 verantwoordelijk voor de financiering van kinderopvang op grond van een sociaal-medische indicatie (SMI). Deze tegemoetkoming is abusievelijk niet meegenomen in de vrijstelling voor de kinderopvangtoeslag krachtens de Wet Kinderopvangtoeslag. Deze omissie wordt hersteld, en alsnog met terugwerkende kracht tot 1 januari 2005 onder de vrijstelling gebracht. Gemeenten kunnen onder voorwaarden ook een aanvullende tegemoetkoming voor kinderopvang bieden tot maximaal 100% van de kosten van kinderopvang, het zogenaamde koa-kopje. Ook deze vergoeding wordt – met terugwerkende kracht tot 1 januari 2013 – onder de vrijstelling gebracht.

Vrijstelling mobiliteitsprojecten
De vrijstelling voor vergoedingen krachtens de mobiliteitsprojecten ‘Anders betalen voor mobiliteit’ en ‘Beter benutten’ vervallen per ultimo 2017. Per 2018 komt er een nieuwe vrijstelling voor voordelen uit projecten die zijn gericht op hinderbeperking tijdens grootschalige wegwerkzaamheden.

Partnerbegrip pleegkinderen
Ouders en hun kinderen kunnen voor de heffing van inkomstenbelasting niet als fiscale partners worden aangemerkt. Een uitzondering geld als ouder én kind 27 jaar of ouder zijn. Deze regeling geldt ook voor pleegkinderen, die door de pleegouder(s) als eigen kinderen worden opgevoed en onderhouden. Als voor een pleegkind (tot 27 jaar) een pleegzorgvergoeding wordt ontvangen, is géén sprake van het opvoeden en onderhouden als ware het een eigen kind. Een pleegkind tot 27 jaar met pleegzorgvergoeding kan derhalve wél kwalificeren als fiscale partner van de pleegouder. Financiën vindt dat minder gewenst: pleegouder en pleegkind worden op verzoek niet als partner aangemerkt voor de heffing van inkomstenbelasting én voor de toeslagen. Dit geldt ook voor kinderen tot 27 jaar voor wie de verzorgende ouder in enig jaar kinderbijslag heeft ontvangen, maar die niet – meer – kwalificeren als pleegkind.

Multiplier giftenaftrek verlengd
De geldigheidsduur van de multiplier voor de giftenaftrek in de inkomsten- en vennootschapsbelasting wordt met een jaar verlengd tot 1 januari 2019. De multiplier verhoogt de giftenaftrek aan culturele instellingen met 25%, met een maximum van € 1.250 in de inkomstenbelasting en € 2.500 in de vennootschapsbelasting. Deze verlenging moet ter goedkeuring worden voorgelegd aan de Europese Commissie.

Verdeling vermogen bij gehuwden
Het aangaan of aanpassen van huwelijkse voorwaarden kan leiden tot een vermogensverschuiving van de ene naar de andere echtgenoot. Voorgesteld wordt om in de wet vast te leggen dat zo’n vermogensverschuiving – vanaf 1 januari 2018 – tot een belastbare schenking leidt indien en voor zover:

het aandeel van de minst vermogende in het totale vermogen hoger wordt dan 50%, ofwel 
het aandeel van de meest vermogende in het totale vermogen toeneemt.

1303_2017-belastingplan-004.jpgAls de minst vermogende meer dan 50% van het totale vermogen verkrijgt door het opmaken of aanpassen van de huwelijkse voorwaarden, is voor het surplus boven de 50% sprake van een belastbare schenking. Dat geldt ook als de gerechtigdheid van de meest vermogende wordt uitgebreid. De vermogensverschuiving wordt gerelateerd aan het totale vermogen van beide echtgenoten; als de vermogensverschuiving een belastbare schenking inhoudt wordt die schenking op dát tijdstip naar de dán geldende waarde in de heffing van schenkbelasting betrokken.
In de huwelijkse voorwaarden kan een beding worden opgenomen waardoor een vergelijkbare vermogensverschuiving optreedt op het tijdstip dat het huwelijk door overlijden wordt ontbonden. Die opzet wordt bestreden met een soortgelijke bepaling voor de erfbelasting.
Deze aanpassing gaat niet alleen voor gehuwden gelden, maar ook voor ongehuwd samenwonenden die een notarieel samenlevingscontract hebben met daarin een wederzijdse zorgverplichting.
Ingeval van een nep-huwelijk of notarieel samenlevingscontract – een samengaan met als voornaamste doel het ontgaan van schenk- of erfbelasting – wordt elke vermogensverschuiving als een schenking aangemerkt. De bewijslast dat sprake is van zo’n nepverbintenis rust op de inspecteur.

Aanslagtermijn schenkbelasting
Er komt een bijzondere regeling voor de aanslagtermijn voor schenkbelasting ingeval de aangifte schenkbelasting niet tijdig is gedaan. Als die aangifte wordt gedaan ná 30 april volgend op het jaar waarin de schenking is gedaan, gaat de aanslagtermijn (pas) in ná de dag van het doen van de aangifte. Deze maatregel treedt onmiddellijk in werking.

Navordering van schenk- en erfbelasting
Voor een navordering van schenk- en erfbelasting is een nieuw feit vereist, én de navorderingstermijn van 5 of 12 jaar (voor binnen- of buitenlandse posities) na het ontstaan van de belastingschuld moet nog niet zijn verstreken.
Navordering is altijd mogelijk – ook als er géén nieuw feit is, en de hiervoor genoemde navorderingstermijnen gelden dan niet – als van een begiftigde of erfgenaam te weinig schenk -of erfbelasting is geheven doordat de aan een andere verkrijger opgelegde aanslag is verminderd. Deze verruimde navorderingsmogelijkheid gaat ook gelden als er door een vermindering van een aanslag een navorderingsaanslag aan dezelfde verkrijger moet worden opgelegd. Dat is bijvoorbeeld aan de orde als een ‘gewone’ aanslag is verminderd en er daardoor aan dezelfde verkrijger een conserverende navorderingsaanslag voor de bedrijfsopvolgingsregeling moet worden opgelegd. Ook deze maatregel treedt onmiddellijk in werking.

Maatregelen voor ondernemers


Verlenging eerste tariefschijf vennootschapsbelasting
De eerste schijf van het tarief van de vennootschapsbelasting – van 20% – wordt per 1 januari 2018 verlengd van € 200.000 naar € 250.000. In 2020 wordt deze tariefschrijf verder verlengd naar € 300.000 en in 2021 naar € 350.000.
De verlengde tariefschijf maakt het interessant om kosten naar voren te halen en die nog dit jaar te maken, en opbrengsten uit te stellen zodat die in 2018 tegen het lagere tarief worden belast. Ook kan het verbreken van de fiscale eenheid tussen twee of meer BV’s een aardig tariefvoordeel opleveren.

Energie-investeringsaftrek verlaagd met 0,5%
De energie-investeringsaftrek wordt per 1 januari 2018 verlaagd met 0,5%. Deze aanpassing is ter dekking van de kosten van een versoepeling van de belastingheffing bij het uitoefenen van aandelenopties die innovatieve start-ups aan hun werknemers verstrekken.

Renteaftrekbeperking: dubbele zakelijkheidstoets bij derdenlening
De Wet op de vennootschapsbelasting kent meerdere renteaftrekbeperkingen. De wetgever heeft die ingevoerd om te voorkomen dat de grondslag voor de belastingheffing door renteaftrek kan worden uitgehold. In het Belastingplan 2018 wordt voorgesteld om de renteaftrekbeperking aan te scherpen.
Een BV kan in beginsel geen rente aftrekken op een lening die zij is aangegaan bij een ‘verbonden lichaam’ – een concernvennootschap – om daarmee een besmette rechtshandeling te financieren. Bijvoorbeeld het kopen van een belang van ten minste een derde gedeelte in een andere BV. Deze renteaftrekbeperking kan worden vermeden door aannemelijk te maken dat zowel het aangaan van de lening als de besmette rechtshandeling in overwegende mate (= voor meer dan 50%) heeft plaatsgevonden uit zakelijke overwegingen. Dit is de zogenaamde dubbele zakelijkheidstoets.
De Hoge Raad heeft recent beslist dat aan deze tegenbewijsregeling is voldaan als er sprake is van een geldlening die rechtens is aangegaan met een verbonden lichaam, maar die feitelijk verschuldigd is aan een derde. Financiën vindt deze uitspraak ongewenst. In de wettekst wordt expliciet vastgelegd dat vanaf 1 januari 2018 ook in zo’n situatie de zakelijke overwegingen voor het aangaan van de lening én de rechtshandeling aannemelijk moeten worden gemaakt.

Voorkomen van dubbele verliesneming
Een holding-BV kan de financiering van een dochtermaatschappij binnen een fiscale eenheid zodanig opzetten dat een dubbele verliesneming mogelijk wordt ingeval die dochtermaatschappij verlies lijdt en zij daardoor de haar verstrekte lening niet kan terugbetalen. De financiering moet dan ‘buitenom’, door een fiscaal niet gevoegde dochtervennootschap plaatsvinden. Voor een voorbeeld: zie de illustratie.

1300_2017-belastingplan-002-1.jpg

Holding en D1 vormen een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting.
Holding richt D2 op, buiten de fiscale eenheid, en stort het aandelenkapitaal in contanten vol.
D2 verstrekt vanuit die geldmiddelen een lening aan D1.


Als D1 in de daaropvolgende jaren verlies lijdt, kan dat verlies in de fiscale eenheid worden verrekend (1X)


D2 kan haar vordering op D1 afwaarderen.
Als Holding vervolgens D2 liquideert kan Holding dat liquidatieverlies in aftrek brengen. (2X)




Financiën wil zo’n dubbele verliesneming onmogelijk maken. Voorgesteld wordt dat bij de afwaardering van een geldlening (of een soortgelijk vermogensbestanddeel) op een lichaam dat op enig moment verbonden is geweest niet meer in aanmerking kan worden genomen voor zover dit verband houdt met verliezen die door een gevoegde maatschappij zijn geleden.

Aanpassing liquidatieverliesregeling
De liquidatieverliesregeling in de deelnemingsvrijstelling kent een bepaling om te voorkomen dat een geconstrueerd liquidatieverlies op een tussenhoudster-BV ten laste van de Nederlandse belastinggrondslag kan worden gebracht. Bij de liquidatie van een tussenhoudster-BV moet het liquidatieverlies worden verminderd met de waardedaling van een door die tussenhoudster-BV gehouden deelneming die ‘sedert de verkrijging van de deelneming’ is opgetreden. Deze regeling sluit niet goed aan bij de berekening van het opgeofferde bedrag als zo’n maatschappij ontvoegd wordt, uit de fiscale eenheid gaat. Voorgesteld wordt om – vanaf 1 januari 2018 – het opgeofferde bedrag bij ontvoeging vast te stellen - naar rato van het aandelenbezit – op het eigen vermogen van die dochtermaatschappij, op basis van de waarde in het economische verkeer als die waarde lager is dan de fiscale boekwaarde van de deelneming.
1301_2017-belastingplan-003.jpg
Berekening voorkomingswinst bij interne gebruiksvergoedingen
De Hoge Raad heeft medio 2016 beslist dat bij de bepaling van de winst van een vaste inrichting geen rekening hoeft te worden gehouden met een interne royaltyvergoeding die een dochtervennootschap verschuldigd is aan haar fiscaal gevoegde moedermaatschappij, waarbij die vergoeding toegerekend moet worden aan de vaste inrichting.
In die gevallen kan een fiscaal voordeel worden behaald doordat Nederland een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting verleent over de winst van de vaste inrichting zonder aftrek van de gebruiksvergoeding, terwijl de vaste inrichting die vergoeding in het buitenland wél in aftrek kan brengen bij de vaststelling van de belastbare winst. Financiën vindt dit onterecht en stelt voor om de winst ter voorkoming van dubbele belasting vanaf 1 januari 2018 in alle gevallen van een interne gebruiksvergoedingen binnen een fiscale eenheid zodanig vast te stellen alsof die fiscale eenheid niet bestaat.

Omzetbelasting


Afschaffen landbouwregeling
Het demissionaire kabinet wil de BTW-landbouwregeling per 1 januari 2018 afschaffen. Deze maatregel is eerder aangekondigd in de Miljoenennota 2017.
Door de afschaffing van de landbouwregeling moeten landbouwers – maar ook veehouders, tuin- en bosbouwers – vanaf 1 januari 2018, net als andere ondernemers, BTW voldoen over de door hen verrichte prestaties en kunnen zij de omzetbelasting over de aan hen verrichte prestaties terugvragen. Deze aanpassing heeft voorts tot gevolg dat een aantal posten in tabel I bij de Wet Omzetbelasting komt te vervallen.
De agrariërs die per 1 januari 2018 niet langer onder de landbouwregeling vallen, kunnen met toepassing van de overgangsregeling alsnog in aanmerking komen voor een aftrek van omzetbelasting op de investeringsgoederen die zij vóór 1 januari 2018 in gebruik hebben genomen, plus de omzetbelasting op investeringen die zij op 1 januari 2018 nog niet in gebruik hebben genomen.

Voor investeringsgoederen die vóór 1 januari 2018 in gebruik zijn genomen, biedt de herzieningsregeling perspectief op een BTW-aftrek. Deze herziening wordt normaliter over een aantal jaren gespreid, maar in dit geval wordt voorgesteld om de herziening – onder voorwaarden – in één keer te laten plaatsvinden, en wel in het eerste belastingtijdvak van 2018.
•  Voor goederen en diensten die een agrarische ondernemer vóór 1 januari 2018 heeft aangeschaft, maar die hij op 1 januari 2018 nog niet in gebruik heeft genomen, vindt de BTW-aftrek plaats in het eerste tijdvak van 2018.
   
   
   
   
   

Voorbeeld herziening investering onroerend goed
Een landbouwer heeft op 1 januari 2014 een nieuwe stal verworven voor € 100.000 plus 21% BTW. De landbouwer heeft deze stal per direct in gebruik genomen. De ondernemer heeft de € 21.000 BTW vanwege de landbouwregeling niet in aftrek kunnen brengen.
Het boekjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
De herzieningstermijn voor een onroerend investeringsgoed is 9 jaar na de ingebruikneming, ofwel tot en met 2023.
Als de ondernemer de stal per 1 januari 2018 voor BTW-belaste prestaties gaat gebruiken kan hij met de herzieningsregeling in het eerste tijdvak van 2018 alsnog een BTW-aftrek claimen van 6 jaar (2018 tot en met 2023) x 1/10 van € 21.000 = € 12.600


Aanscherping begrip geneesmiddelen
De Hoge Raad heeft eind 2016 beslist dat fluoridehoudende tandpasta en zonnebrandcrème met een UVA of UVB-filter als geneesmiddel moeten worden aangemerkt, en mitsdien onder het verlaagde BTW-tarief vallen. Financiën vindt deze uitspraak onwenselijk, en stelt voor om het begrip geneesmiddelen voor toepassing van de omzetbelasting per 1 januari 2018 aan te scherpen, en wel door het stellen van de voorwaarde dat een handelsvergunning als bedoeld in de Geneesmiddelenwet is afgegeven. Producten waarvoor een dergelijke (parallel-) handelsvergunning is afgegeven, staan ingeschreven in de Informatiebank Geneesmiddelen. Voorgesteld wordt om het lage BTW-tarief uitsluitend van toepassing te laten zijn op producten die in deze informatiebank staan geregistreerd. Het verlaagde BTW-tarief vervalt hierdoor voor cosmetische, reinigende en verzorgende producten en andere farmaceutische producten die verhandeld worden met een vergunning als medische hulpmiddelen.

Aanscherping BTW-nultarief voor zeeschepen
De Wet omzetbelasting kent een BTW-nultarief voor levering van en diensten aan zeeschepen. Denk aan vrachtvervoer, visserij, het vervoer van passagiers tegen betaling, de bevoorrading van dergelijke schepen, en diverse diensten met betrekking tot die schepen zoals onderhoud, verbouwing en reparatie. De Europese Commissie vindt dat de Nederlandse wettelijke bepaling voor dit nultarief te ruim geformuleerd is. Voorgesteld wordt om het nultarief (vanaf 1 januari 2018) uitsluitend nog toe te staan voor zeeschepen die daadwerkelijk worden gebruikt voor de vaart op volle zee, buiten de territoriale 12-mijlszone. De ondernemer moet dat gebruik op volle zee aantonen aan de hand van de verhouding tussen de in een jaar in totaal gevaren afstand én de in datzelfde jaar op volle zee afgelegde afstand. De ondernemer kan voor de schepen die hij al vóór 2018 in gebruik heeft genomen kiezen om het gebruik op volle zee aan te tonen aan de hand van de verhouding tussen het aantal reizen over volle zee en het totaal aantal reizen in die periode.
Dit voorstel heeft vergaande gevolgen voor ondernemers die veerdiensten verrichten tussen het vasteland en de Waddeneilanden.

De auto


BPM werkelijke waarde bestelauto's
In het Belastingplan 2018 wordt voorgesteld om de forfaitaire afschrijvingstabel voor de berekening van de verschuldigde BPM (bij invoer van een auto) niet langer verplicht te stellen. Dit voorstel is in lijn met enkele rechterlijke uitspraken, waarbij voor de BPM werd uitgegaan van de werkelijke aarde van de bestelauto in plaats van de forfaitaire afschrijvingstabel. De rechter kwam tot deze beslissing op basis van het recht van de Europese Unie op grond waarvan het niet is toegestaan dat op vanuit een andere lidstaat overgebrachte goederen een zwaardere last drukt dan op het in het binnenlandse verkeer aanwezige goederen. Vanaf 1 januari 2018 is afschrijving op basis van de afschrijvingstabel niet meer dwingend voorgeschreven voor:

geïmporteerde bestelauto’s waarvoor bij eerste registratie in Nederland is geopteerd voor de ondernemersvrijstelling en de auto vervolgens binnen vijf jaar wordt verkocht, én
bij ombouw van een bestelauto tot een personenauto waardoor BPM verschuldigd wordt.

Catalogusprijs alom kenbaar
Fabrikanten of importeurs van personenauto’s, bestelauto’s en motorrijwielen worden verplicht om de catalogusprijs van deze vervoermiddelen voortaan niet alleen aan wederverkopers, maar die publiekelijk kenbaar te maken. De manier waarop is vormvrij, maar het moet wel zo gebeuren dat de catalogusprijs voor iedereen kenbaar is. Denk aan een bekendmaking via de website van de importeur of fabrikant.

MRB: Massa rijklaar
Voor de berekening van de verschuldigde motorrijtuigenbelasting wordt niet langer gebruik gemaakt van de ‘eigen massa’ van het motorrijtuig, maar van de ‘massa rijklaar’ zoals die is opgenomen in het kentekenregister. Deze wijziging treedt in werking per Koninklijk Besluit. Deze aanpassing heeft geen gevolgen zijn voor de hoogte van de verschuldigde MRB.

Diversen

1283_2017-04-005.jpg
Afschaffing inkeerregeling
Per 1 januari 2018 wordt de inkeerregeling afgeschaft. De overtreder van de belastingwet die zich binnen twee jaar na het begaan van de opzettelijke of grofschuldige overtreding bij de inspecteur meldt met de correcte gegevens voor de belastingheffing, kan dan ook voor die twee belastingjaren een vergrijpboete worden opgelegd. Dit geldt ook voor degene die op grond van de belastingwet gegevens of inlichtingen moet verstrekken en deze opzettelijk of grofschuldig niet, of niet binnen de gestelde termijn, heeft verstrekt en dat nadien meldt bij de Belastingdienst/Toeslagen.
Bij de inkeerregeling wordt vaak alleen aan zwartspaarders gedacht. Dat is niet terecht: de regeling heeft een bredere werking en geldt bijvoorbeeld ook als een ondernemer de eerder foutief ingediende aangiften loonheffing of omzetbelasting binnen twee jaar herstelt. Onder de inkeerregeling kan dan bij de naheffing geen vergrijpboete worden opgelegd. Na afschaffing van de inkeerregeling is dat niet langer vanzelfsprekend.
Inkeer blijft wel een strafverminderende omstandigheid. Krachtens het overgangsrecht blijft de huidige inkeerregeling van toepassing voor aangiften die vóór 1 januari 2018 zijn gedaan of hadden moeten zijn gedaan, én met betrekking tot inlichtingen, gegevens of aanwijzingen die vóór 1 januari 2018 zijn verstrekt of hadden moeten zijn verstrekt.
Zie ook BelastingBelangen, augustus 2017: Inkeerregeling vervalt per 1 januari 2018.


Uitbreiding mededelingsplicht bodemzaak
De fiscus kan voor meerdere belastingschulden beslag leggen op goederen die zich op de ‘bodem’ van de belastingschuldige bevinden. Dit bodemrecht gaat zover dat de fiscus zich daarbij mag verhalen op goederen van derden als de belastingschuldige zakelijke belastingschulden heeft – denk met name aan loon- en omzetbelasting – én die goederen van derden als een ‘bodemzaak’ kunnen worden aangemerkt. De bodem is bijvoorbeeld het fabrieksterrein, het kantoor of de bedrijfsruimte van de belastingschuldige.
Per 1 januari 2018 wordt de mededelingsplicht inzake het bodemrecht aangescherpt. Pandhouders en andere derden die van plan zijn om handelingen te (laten) verrichten waardoor een bodemzaak niet langer als zodanig kwalificeert, moeten dit tijdig melden aan de Belastingdienst. Deze mededelingsplicht geldt ook voor de belastingschuldige zelf. Als de belastingschuldige de mededeling niet heeft gedaan leidt dat tot een betalingsplicht voor de pandhouders of andere derden. Deze betalingsplicht geldt niet indien en voor zover zij aannemelijk maken dat de opbrengst van de bodemzaken direct noch indirect bij hen is terecht gekomen.


Pand- en hypotheekhouders en executanten: BTW aansprakelijk
Er wordt een nieuwe aansprakelijkheidsregeling ingevoerd voor pandhouders, hypotheekhouders en executanten. Als een ondernemer wegens financiële problemen een goed moet verkopen waarop een pand-, hypotheek- of executierecht rust, wordt de daarbij verschuldigde omzetbelasting veelal door de koper afgedragen op grond van de verleggingsregeling. Als die regeling niet van toepassing is – zoals bij verkoop aan een particulier – kan de fiscus de verschuldigde omzetbelasting meestal niet verhalen op de verkopende ondernemer. Dat wordt aangepakt: de Belastingdienst kan vanaf 1 januari 2018 de pandhouder, hypotheekhouder of executant aansprakelijk stellen voor de niet-betaalde omzetbelasting als de verleggingsregeling niet van toepassing is op de verkoop van de bezwaarde zaak.
De nieuwe aansprakelijkheidsbepaling is van toepassing op leveringen binnen én buiten een faillissement. Voor executanten geldt, anders dan voor pand- en hypotheekhouders, dat een beslag vervalt zodra het faillissement wordt uitgesproken. De aansprakelijkheidsbepaling geldt daardoor niet voor executanten binnen een faillissement.

Dividendbelasting voor houdstercoöperaties
Een houdstercoöperatie is een coöperatie waarvan de feitelijke werkzaamheden voor 70% of meer bestaan uit het houden van deelnemingen of het direct of indirect financieren van verbonden lichamen of verbonden natuurlijke personen. Per 1 januari 2018 moeten houdstercoöperaties dividendbelasting gaan inhouden op ‘opbrengsten uit hoofde van kwalificerende lidmaatschapsrechten’. Van een kwalificerend lidmaatschapsrecht is pas sprake als dat recht betrekking heeft op ten minste 5% van de jaarwinst van een coöperatie, dan wel op ten minste 5% van wat bij liquidatie van die coöperatie wordt uitgekeerd. Daarbij worden de lidmaatschapsrechten van verbonden lichamen en natuurlijke personen gezamenlijk in aanmerking genomen.
De houdstercoöperatie hoeft geen dividendbelasting in te houden op een gehele of gedeeltelijke teruggaaf van inleggelden.

Uitbreiding inhoudingsvrijstelling dividendbelasting
Een BV die dividend uitkeert kan de inhouding van dividendbelasting achterwege laten als het dividend bij die aandeelhouder onder de deelnemingsvrijstelling of deelnemingsverrekening valt. Deze inhoudingsvrijstelling wordt verruimd. De vrijstelling geldt nu uitsluitend als de ontvangende aandeelhouder gevestigd is in een lidstaat van de Europese Unie of de Europese Economische Ruimte. Per 1 januari 2018 geldt de vrijstelling in beginsel ook als de aandeelhouder gevestigd is in een andere staat waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten, en er in dat verdrag een dividendbepaling is opgenomen.

De inhoudingsvrijstelling is niet van toepassing ingeval van misbruik.
Van misbruik is sprake als de aandelen in de in Nederland gevestigde vennootschap of houdstercoöperatie worden gehouden met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van dividendbelasting bij een ander te ontgaan en er sprake is van een kunstmatige constructie of transactie. Voor deze subjectieve én objectieve toets gelden diverse substancevoorwaarden.

Terug naar boven