Vraagtekens

Regeerakkoord Rutte III

15 oktober 2017

Inkomstenbelasting

Box 1
Box 1-tarief
Het tarief in box 1 – het belastbaar inkomen uit werk en wonen - wordt beperkt tot twee schijven: een tariefschijf van 36,93% voor inkomen tot € 68.600, en een tweede schijf van 49,5% voor inkomen daarboven. Het grensbedrag voor het toptarief is permanent, het wordt voor jaren ‘bevroren’.

Nog niet duidelijk is hoe de overgang naar een tweeschijventarief gaat uitpakken voor de premieheffing volksverzekeringen. Deze premieheffing stopt thans in de tweede tariefschijf bij een belastbaar inkomen van € 33.791. In de nieuwe opzet begint de tweede tariefschijf bij een belastbaar inkomen van € 68.600, dat is ruim twee keer zoveel. Als de premies volksverzekeringen geheven gaan worden over het gehele inkomen in de eerste tariefschijf kunnen die premies substantieel omlaag.

Eigen woning / hypotheekrenteaftrek
De aftrek van eigenwoningrente wordt vanaf 2020 versneld afgebouwd: het aftrektarief gaat niet langer met 0,5% per jaar omlaag, maar in vier stappen van 3% naar het tarief van 36,93% in de eerste schijf in 2023. Ter compensatie van deze aftrekbeperking wordt het eigenwoningforfait verlaagd, vanaf 2020 van 0,75% naar 0,6% van de WOZ-waarde.
Onder de huidige wetgeving wordt de bijtelling van het eigenwoningforfait verminderd tot nihil bij geen of een beperkte eigenwoningschuld krachtens de zogenaamde wet Hillen. Deze regeling wordt afgeschaft, gefaseerd in dertig jaar, waardoor in de toekomst ook bij een afgeloste schuld terzake van de eigen woning belasting over het eigenwoningforfait moet worden betaald.
Het maximale bedrag dat kan worden geleend voor de eigen woning, de zogenoemde ‘loan to value’ wordt niet verder verlaagd. Deze maatregel wordt genomen om starters de toegang tot de eigenwoningmarkt niet verder te belemmeren.

De afschaffing van de wet Hillen heeft veel kritiek gekregen. De overheid toont zich met de afschaffing van deze regeling volgens veel vooral oudere woningbezitters niet betrouwbaar. De overgangstermijn was in eerste instantie 20 jaar, de kritiek heeft geleid tot de termijn van 30 jaar.

Alle aftrekposten tegen het basistarief
Alle aftrekposten in de inkomstenbelasting zijn vanaf 2023 nog slechts aftrekbaar tegen het tarief in de eerste schijf van 36,93% . De huidige aftrek wordt – net als de aftrek van eigenwoningrente – met 3% per jaar afgebouwd naar het basistarief van 36,93%.

Niet duidelijk is wat Rutte III precies verstaat onder ‘alle aftrekposten'. Het lijkt erop dat aftrekposten als de MKB-winstvrijstelling en de persoonsgebonden aftrek, zoals de giftenaftrek en de aftrek voor specifieke zorgkosten, ook onder het tarief van de eerste schijf van 36,93% komen te vallen. Het regeerakkoord is daar niet duidelijk over.

Zelfstandigenaftrek
De zelfstandigenaftrek wordt beperkt, in die zin dat deze aftrekpost – net als de eigenwoningrente en alle andere aftrekposten – vanaf 2020 tegen een steeds lager tarief kan worden afgezet. Het aftrektarief gaat vanaf 2020 in vier jaar met 3% per jaar omlaag, tot op het basistarief van 36,93%.

Aftrekpost voor scholingskosten
De aftrek voor scholingskosten vervalt. Deze aftrek wordt vervangen door een individuele leerrekening voor alle Nederlanders die een startkwalificatie hebben behaald.

Box 2
Box 2 tarief
Het tarief in box 2 voor belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang gaat gefaseerd omhoog van 25% via 27,3% in 2020 naar 28,5% in 2021.

Rutte III wil het aanmerkelijkbelang-tarief verhogen om het globale evenwicht tussen BV’s en ondernemingen in de inkomstenbelasting in stand te houden. Die onderbouwing is aanvechtbaar. De belastingdruk op het door een BV uitgekeerde dividend komt thans uit op zo’n 43,75%, uitgaande van 25% vennootschapsbelasting en 25% aanmerkelijkbelang-heffing. Dat is 8,25% minder dan het huidige toptarief in de inkomstenbelasting van 52%. Als het tarief van de vennootschapsbelasting verlaagd is tot 21% komt de belastingdruk op uitgekeerde winst – bij een gelijkblijvend aanmerkelijkbelang-tarief van 25% – uit op 40,75%. Dat is in vergelijking met het nieuwe toptarief in de inkomstenbelasting van 49,5% een verschil van 8,75%. Met de nieuwe tarieven neemt het verschil tussen de IB – BV-belastingdruk met een half procentpunt toe. Dat lijkt onvoldoende rechtvaardiging voor de verhoging van het aanmerkelijkbelang-tarief naar 28,5%.

Box 3
Box 3 - heffingsvrij vermogen
De vrijstelling voor belastingheffing in box 3, de vermogensrendementsheffing, wordt verhoogd van € 25.000 naar € 30.000 euro, derhalve € 60.000 voor fiscale partners.

Box 3 - forfaitaire rendementen
Het forfaitaire rendement in box 3 wordt vastgesteld op basis van meer actuele rendement gegevens. Het spaargedeelte in de rendementsmix wordt gebaseerd op de gemiddelde spaarrente van een jaar geleden ( in plaats van thans nog vijf jaar).

Box 3 - heffing over werkelijke rendementen
Rutte III gaat een wetsvoorstel uitwerken om de vermogensrendementsheffing op het werkelijk behaalde rendement te gaan baseren.

Heffingskortingen
Algemene heffingskorting, arbeidskorting, ouderenkorting

De algemene heffingskorting wordt in 2021 verhoogd met € 350.
De arbeidskorting wordt verhoogd met ongeveer € 365, maar ook sneller afgebouwd bij een hoger arbeidsinkomen.
De ouderenkorting gaat omhoog met € 160 en wordt meer geleidelijk afgebouwd.
In de inkomensafhankelijke combinatiekorting wordt de vaste voet € 0; het opbouwpercentage wordt verhoogd naar 11,45%.
De uitbetaling van de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting tegen het partnerinkomen wordt afgebouwd. Het recht op arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting wordt afgeschaft voor uitkeringsgerechtigden zonder dienstverband met Ziektewetuitkeringen.

Toeslagen
Kinderbijslag, kinderopvangtoeslag en kindgebonden budget
De kinderbijslag, kinderopvangtoeslag en het kindgebonden budget gaan omhoog.
De financiering van kinderopvang wordt per 2019 gewijzigd: die toeslag wordt niet meer aan de ouders uitbetaald, maar door het Rijk rechtstreeks naar de kinderopvanginstellingen.

Huurtoeslag
De afbouwgrens in de huurtoeslag wordt versoepeld en omgebouwd naar een geleidelijke afbouw. Vanaf 2019 wordt de stijging van de eigen bijdrage in de huurtoeslag gekoppeld aan de huurprijsontwikkeling.

Vennootschapsbelasting

Tarief vennootschapsbelasting
Het tarief van de vennootschapsbelasting wordt stapsgewijs verlaagd van 25% naar uiteindelijk 21% (2019: 24%, 2020: 22,5% en 2021 21%). Ook het lage tarief (in 2017 voor een belastbare winst tot € 200.000) gaat met dezelfde stappen omlaag van 20% naar 16%.

Door deze tariefsverlaging komt Nederland in de buurt van het door andere landen gemiddeld gehanteerde tarief voor de winstbelasting van 21,5%. De tariefsverlaging maakt Nederland als aantrekkelijk vestigingsland een stuk concurrerender.
De stapsgewijze tariefsverlaging – 1% in 2019, en daarna nog twee stapjes van 1,5% – noodzaakt tot het naar voren halen van de kosten naar 2018, vanwege de aftrek tegen dan nog 25% of 20%, en het zoveel mogelijk uitstellen van winst om die te incasseren tegen het lage tarief van 21% of 16% in 2021.

Tariefopstap
De eerder aangekondigde verlenging van de schijf met het 20% tarief in de vennootschapsbelasting gaat niet door: de tariefopstap blijft € 200.000.

Tarief innovatiebox: van 5% naar 7%
Het specifieke tarief voor voordelen in de innovatiebox wordt verhoogd, van 5% naar 7%. Deze maatregel maakt research & development in Nederland minder aantrekkelijk. Het fiscale voordeel van de innovatiebox wordt door de verlaging van het algemene tarief van de vennootschapsbelasting al kleiner, en de verhoging van het effectieve tarief van 5% naar 7% maakt de innovatiebox nog minder aantrekkelijk.

Earnings-strippingregeling (ATAD)
De Ecofin Raad van de Europese Unie heeft medio 2016 de anti-belastingontwijkingsrichtlijn – de Anti Tax Avoidance Directive (ATAD) – aangenomen. Die richtlijn kent enkele maatregelen tegen belastingontwijking, die Nederland in de nationale wetgeving moet invoeren per 1 januari 2019.
Rutte III voert de in de ATAD verplicht gestelde renteaftrekbeperking in als een earnings-strippingmaatregel. Voor de berekening van de verschuldigde vennootschapsbelasting is rente (per 2019) niet langer aftrekbaar voor zover het saldo van de verschuldigde en de ontvangen rente (van derden, van groepsmaatschappijen) meer bedraagt dan 30% van het brutobedrijfsresultaat (EBITDA: earnings before interest, taxes, depreciation and amortization). Rutte III kiest niet voor groepsuitzonderingen, een mogelijkheid die de ATAD wél biedt. De regeling kent een rentedrempel van € 1 miljoen aan netto rentekosten, om het MKB te ontzien. De wet vennootschapsbelasting kent thans een groot aantal renteaftrekbeperkingen. Enkele van die aftrekbeperkingen worden afgeschaft, te weten de beperkingen die in lijn liggen van de earnings-strippingmaatregel. De specifieke renteaftrekbeperking gericht tegen winstdrainage (artikel 10a Wet Vpb 1969) blijft intact; dat is een geheel andersoortige maatregel.

Minimumkapitaalregel voor banken en verzekeraars
Banken en verzekeraars hebben meer rentebaten dan rentelasten, zodat zij niet geraakt worden door de earnings-strippingmaatregel. Voor deze belastingplichtigen wordt een generieke minimumkapitaalregel (thincap rule) ingevoerd: de rente over vreemd vermogen dat uitgaat boven 92% van het commerciële balanstotaal is niet aftrekbaar.

Beperking voorwaartse verliesverrekening
De voorwaartse verliesverrekening – carry forward – in de vennootschapsbelasting wordt teruggebracht van negen naar zes jaar. De achterwaartse verliesverrekening – carry back – blijft één jaar.

Deze maatregel past niet binnen het beginsel van de totaalwinst, de grondslag van onze wet voor de belastingheffing over winst uit onderneming. Die totaalwinst impliceert een in de tijd onbeperkte verrekening van verliezen. Rutte III vergroot met deze – onverwachte! – maatregel het verschil met de termijnen van verliesverrekening in de inkomstenbelasting. De inkomstenbelasting / box 1 kent een voorwaartse verliesverrekening van negen jaar en een achterwaartse verrekening van drie jaar. Onduidelijk is nog of de beperking van de termijn voor verliesverrekening ook doorwerkt naar een verlies uit aanmerkelijk belang (inkomstenbelasting / box 2).

Beperking afschrijving gebouwen
Ondernemers in de vennootschapsbelasting mogen vanaf 2019 een gebouw in eigen gebruik niet verder afschrijven dan tot op 100% van de WOZ-waarde. Deze afschrijvingsbeperking bestaat al jaren voor beleggingspanden, Rutte III wil die ook invoeren voor panden in eigen gebruik. Er is nog niks bekend over overgangsrecht.

De bestaande afschrijvingsbeperking voor beleggingspanden is fundamenteel in strijd met het principe van afschrijvingen, en deze uitbreiding naar panden in eigen gebruik maakt het alleen maar erger. Het regeerakkoord biedt geen enkele onderbouwing voor deze nieuwe afschrijvingsbeperking; het zal wel ter dekking van andere belastinguitgaven zijn.
De voorgestelde afschrijvingsbeperking gaat niet gelden voor ondernemers in de inkomstenbelasting. Dat verschil in fiscale behandeling laat zich niet verklaren.
De afschrijvingsbeperking is een grondslag verbredende maatregel die de verlaging van het tarief van de vennootschapsbelasting deels weer ongedaan maakt.

Dividend- en andere bronbelasting

Dividendbelasting afgeschaft
De dividendbelasting wordt afgeschaft. Rutte III wil met het afschaffen van deze bronheffing Nederland aantrekkelijker maken als vestigingsplaats voor internationaal opererende bedrijven die hier economisch activiteiten en werkgelegenheid genereren. Voor misbruiksituaties en dividenden naar laag belastende landen – low tax jurisdictions – geldt een uitzondering: voor die situaties wordt de dividendbelasting gehandhaafd. De ingangsdatum is nog onbekend.

Rutte III wil brievenbusmaatschappijen weren: deze entiteiten mogen niet profiteren van de afschaffing van dividendbelasting. Maar daarmee is nog niet duidelijk wat er verstaan moet worden onder misbruiksituaties. Komen er nieuwe substance-eisen om het kaf van het koren te scheiden? En geldt de dividendbelasting naar low tax jurisdictions straks ook voor actieve ondernemingen in dat land, of uitsluitend voor passieve entiteiten die gevestigd zijn in zo’n laag belastend land? Ontgaansstructuren liggen hier op de loer, bijvoorbeeld door het tussenschuiven van een bedrijfsonderdeel in een ‘net’ land. Het vormgeven van de uitzonderingen op de afschaffing van dividendbelasting wordt een lastige technische exercitie.

Direct beleggen in vastgoed met een FBI: verboden
De afschaffing van dividendbelasting heeft een – onverwacht – gevolg: het wordt verboden om met een fiscale beleggingsinstelling (FBI) rechtstreeks te beleggen in vastgoed. (Buitenlandse) beleggers in zo’n FBI worden via de dividendbelasting in de belastingheffing betrokken over de voordelen uit het vastgoed. Door het afschaffen van de dividendbelasting valt die heffing weg. Om te voorkomen dat dergelijke beleggingen onbelast kunnen plaatsvinden wordt het rechtstreeks beleggen in vastgoed met een fiscale beleggingsinstelling verboden. Deze maatregel zal in de vastgoedpraktijk inslaan als een bom: er zijn veel vastgoed-FBI's, ook beursgenoteerd.

Invoering bronheffing op rente en royalties
Er komt een bronbelasting op uitgaande royalty's en rentebetalingen naar low tax jurisdicties.

Met de invoering van deze bronbelasting neemt Nederland afscheid van wat wel bestempeld is als een van de kroonjuwelen van het Nederlandse belastingstelsel. Rutte III wil brievenbusmaatschappijen en - constructies tegengaan en dat maakt deze maatregel begrijpelijk. De vormgeving van deze bronheffing – de afbakening van de heffingsgrondslag - is gecompliceerd, met name om ontgaansstructuren te vermijden. De tijd zal het leren.

Omzetbelasting

Laag BTW-tarief: van 6 naar 9%
Het lage BTW-tarief gaat per 1 januari 2019 omhoog van 6% naar 9%. Dit tarief geldt voor de dagelijkse boodschappen, medicijnen, kappers, schoonmaak, schilderen, theaters, musea, hotels en attractieparken.
De opbrengst van deze tariefsaanpassing van zo’n € 2,6 miljard wordt gebruikt om de inkomstenbelasting te verlagen. Het algemene BTW-tarief van 21% blijft gehandhaafd.

Loonbelasting

De 30%-regeling
De 30%-regeling voor ingekomen werknemers kan thans acht jaar worden toegepast. De looptijd van deze regeling wordt beperkt tot vijf jaar. Deze beperking lijkt in te gaan vanaf 2019, zonder overgangsrecht voor bestaande gevallen.

Wet DBA
De Wet DBA wordt vervangen door nieuwe wetgeving waarin de juridische en fiscale positie van ZZP-ers wordt vastgelegd. Voor ZZP-ers die hun diensten aanbieden tegen een laag tarief is altijd sprake van een arbeidsovereenkomst als zij ofwel langere tijd voor dezelfde opdrachtgever werken (langer dan 3 maanden) ofwel bij de opdrachtgever reguliere bedrijfsactiviteiten verrichten. Dat lage tarief wordt gesteld op een tarief dat uitkomt op loonkosten tot 125% van het wettelijk minimumloon (de grens die ook geldt voor het lage-inkomensvoordeel, LIV) of met de laagste loonschalen in cao’s. Het nieuwe kabinet kiest voor één tarief om de gehele markt aan de onderkant af te bakenen. Dat tarief zal naar verwachting uitkomen tussen de € 15 en € 18 per uur.
Voor ZZP-ers met een hoog tarief (waarschijnlijk vanaf € 75 per uur) die ofwel kortere tijd voor dezelfde opdrachtgever werken (korter dan een jaar) ofwel voor die opdrachtgever niet reguliere bedrijfsactiviteiten verrichten, komt er een ‘opt out’ uit de loonheffingen.
Voor ZZP-ers boven het lage tarief wordt een ‘opdrachtgeversverklaring’ ingevoerd. De opdrachtgever kan die verkrijgen door een webmodule in te vullen. In die module wordt een aantal vragen gesteld aan de opdrachtgever over de aard van de werkzaamheden. Daarbij wordt het onderdeel ‘gezagsverhouding’ verduidelijkt (bijvoorbeeld dat het verplicht bijwonen van een vergadering op zichzelf geen indicatie van gezag is). De opdrachtgeversverklaring biedt de opdrachtgever zekerheid vooraf, een vrijwaring voor de loonbelasting en premies werknemersverzekeringen. Die vrijwaring vervalt als blijkt dat de webmodule niet naar waarheid is ingevuld. Het kabinet zal de wet zo aanpassen dat de gezagsverhouding voortaan meer getoetst wordt op basis van materiële dan formele omstandigheden.
De markt krijgt de tijd om te wennen aan de veranderde wet- en regelgeving. Na invoering van de nieuwe wetgeving zal de Belastingdienst gedurende een jaar een terughoudend handhavingsbeleid voeren, waarbij de Belastingdienst een coachende rol heeft en partijen helpt bij toepassing van de nieuwe regelgeving.
Het nieuwe kabinet gaat in overleg met sociale partners en veldpartijen bekijken of en hoe het zelfstandig ondernemerschap een eigen plaats kan krijgen in het burgerlijk wetboek, door invoering van een ondernemersovereenkomst. Dit zou de positie van zelfstandig ondernemers kunnen verhelderen en verstevigen.
Rutte III zal de mogelijkheden bekijken om zelfstandigen zich vaker te laten verzekeren tegen arbeidsongeschiktheid. Een verplichte pensioenregeling of arbeidsongeschiktheidsverzekering komt er niet.

Payrolling
Er komt een wetsvoorstel waarin het soepeler arbeidsrechtelijk regime van de uitzendovereenkomst buiten toepassing wordt verklaard, en waarin wordt bepaald dat werknemers qua (primaire en secundaire) arbeidsvoorwaarden ten minste gelijk moeten worden behandeld met werknemers bij de inlener. Door deze wet worden de mogelijkheden voor payrolling fors beperkt.

Vrijwilligersvergoeding
De belastingvrije vrijwilligersvergoeding wordt verhoogd, van maximaal € 1.500 tot € 1.700.

Arbeidsongeschiktheidswetgeving
De arbeidsongeschiktheidswetgeving wordt aangepast: de premiedifferentiatie wordt verkort van tien naar vijf jaar. Werken met een WIA-uitkering wordt aantrekkelijker gemaakt. Voor WIA-gerechtigden die voor 80 - 99% arbeidsongeschikt zijn, wordt het niet-werken minder aantrekkelijk gemaakt.

Premies WW/WGA
Voor kleinere werkgevers, met minder dan 25 werknemers, wordt de verplichte loondoorbetaling bij ziekte één jaar in plaats van thans nog twee jaar. De collectieve kosten van het tweede jaar worden gedekt via een lastendekkende premie, te betalen door kleine werkgevers
Rutte III wil ook de regels rond de premieheffing aanpassen: de hoogte van de WW-premie wordt gekoppeld aan het type arbeidscontract. Voor werknemers met een kortdurend contract gaat dan een hogere premie gelden dan voor werknemers met een langer lopend contract.
De periode van premiedifferentiatie in de WGA (Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten) wordt verkort van tien jaar naar vijf jaar. Daarmee wordt voor alle werkgevers de periode aanzienlijk beperkt waarin zij risico lopen ingeval een van hun werknemers arbeidsongeschikt wordt.

Ontslagrecht en ontslagvergoeding
Het ontslagrecht wordt versoepeld. De Wet Werk en Zekerheid heeft er toe geleid dat ontslag in bepaalde situaties onnodig wordt bemoeilijkt. Dat maakt werkgevers huiverig om contracten voor onbepaalde tijd aan te bieden. Werkgevers lopen tegen situaties aan waarin er op grond van de afzonderlijke ontslaggronden onvoldoende basis is voor ontslag, maar dat bij een beoordeling van meerdere ontslagredenen tesamen er wél (gedeeltelijk) sprake is van problemen. Bijvoorbeeld als sprake is van verwijtbaar handelen van de werknemer in combinatie met disfunctioneren en een verstoorde arbeidsrelatie. Rutte III vindt dat in die gevallen de rechter – voortaan – de afweging moet kunnen maken of het van de werkgever kan worden verlangd om de arbeidsovereenkomst voort te zetten, of dat ontslag gerechtvaardigd is op basis van de opsomming van verschillende ontslaggronden.

Tegenover deze versoepeling van het ontslagrecht staat dat de rechter de werknemer een extra vergoeding kan toekennen van maximaal de helft van de transitievergoeding, bovenop de al bestaande transitievergoeding. ?
Werknemers krijgen eerder recht op een ontslagvergoeding, vanaf dag één van hun arbeidsovereenkomst en niet pas na twee jaar dienstverband zoals thans nog het geval is. De ontslagvergoeding gaat een derde maandsalaris bedragen, voor elk jaar dienstverband. Dat gaat ook gelden voor arbeidsovereenkomsten van langer dan tien jaar. Voor werkgevers worden de mogelijkheden verruimd om scholingskosten in mindering te brengen op de ontslagvergoeding.

Vaderschapsverlof / adoptieverlof
Het kraamverlof voor partners gaat naar vijf dagen (thans : twee dagen). De werknemer krijgt in die periode zijn loon volledig doorbetaald. Per 1 juli 2020 wordt voor partners een aanvullend verlof ingevoerd van vijf weken, op te nemen in de eerste zes maanden na de geboorte. De werknemer krijgt in deze periode een uitkering van 70% van zijn loon van het UWV.
Het adoptieverlof wordt verruimd naar zes weken.

Tijdelijke contracten
Het tijdvak waarna een tijdelijk contract overgaat in een vast contract wordt verlengd van twee naar drie jaar. Voor opvolgende tijdelijke contracten gaat ‘ de teller op nul’ bij een tussenperiode van zes maanden. Er komt een mogelijkheid om die tussenperiode te verkorten.

Naar een nieuw pensioenstelsel
De lage rente én de stijgende levensverwachting hebben ons huidige pensioenstelsel in ‘zwaar weer’ gebracht. Het pensioenstelsel moet worden aangepast. Rutte III wil voor die herziening aansluiten bij de al uitgebrachte rapporten van de Sociaal Economische Raad, waarin een persoonlijk pensioenvermogen wordt gecombineerd met een collectieve risicodeling. Verplichtstelling, collectieve uitvoering, risicodeling en fiscale ondersteuning moeten hierbij gehandhaafd blijven. De doorsneesystematiek wordt afgeschaft. Dat heeft tot gevolg dat een leeftijdsonafhankelijke pensioenpremie verplicht wordt bij alle contracten en dat deelnemers de pensioenopbouw krijgen die bij de ingelegde premie past, de zogenaamde degressieve opbouw. De herverdeling – onderdeel van de doorsneepremie – verdwijnt dan.
Het regeerakkoord geeft niet meer dan een grove schets hoe een nieuw systeem er uit zou kunnen zien. De sociale partners moeten dit mét het nieuwe kabinet gaan uitwerken. Rutte III wil het nieuwe pensioenstelsel in 2020 invoeren. Dat lijkt een al te ambitieuze doelstelling.

Milieubelastingen

Invoeren CO2 heffing
Rutte III wil een CO2 belasting invoeren voor energieproducenten. Er komt een minimumprijs voor CO2 emissierechten. Heffing en uitvoering komt in handen van de Nederlandse Emissieauthoriteit (NEA)

Energiebelasting
De energiebelasting gaat per saldo omhoog: de belasting op gas gaat omhoog, op elektriciteit iets omlaag. Verder wordt de belastingvermindering in de energiebelasting verlaagd.

Vervoer

De BPM-teruggaaf op taxi’s wordt afgeschaft.
Voor vrachtverkeer wordt er een kilometerheffing ingevoerd. De opbrengst van deze heffing komt ten goede aan de vervoersector, mogelijk door een verlaging van de motorrijtuigenbelasting op vrachtauto’s.
Rutte III streeft ernaar dat uiterlijk in 2030 alle nieuwe auto’s emissieloos zijn. De fiscale stimulering van emissieloze auto’s zal gefaseerd worden afgeschaft.
Nederland zet in Europees verband in op belastingen op luchtvaart in het kader van de voor 2019 geplande onderhandelingen over de klimaatdoelen van Parijs. Ook wordt bezien of een heffing op lawaaiige en vervuilende vliegtuigen mogelijk is. Indien beide opties onvoldoende opleveren wordt er per 2021 een vliegbelasting ingevoerd.
Fietsen is een goed alternatief voor het openbaar vervoer én de auto. Rutte III trekt daarom eenmalig € 100 miljoen uit voor de cofinanciering van gemeentelijke en provinciale investeringen in fietsinfrastructuur en fietsenstallingen bij OV-knooppunten.

Tabaksaccijns
Ter stimulering van een rookvrije generatie wordt de tabaksaccijns verhoogd. In het regeerakkoord staat niet vermeld wat de nieuwe tarieven worden. Wel is duidelijk dat de verhoging leidt tot een hogere belastingopbrengst van 40 miljoen in 2018, die oploopt tot 200 miljoen in 2021.

Terug naar boven