Vraagtekens

Van VAR naar Beschikking geen loonheffingen

28 oktober 2014

De verklaring arbeidsrelatie, de VAR, wordt afgeschaft en in de loop van volgend jaar vervangen door de beschikking geen loonheffingen, de BGL. Die overgang is geregeld in het wetsvoorstel ‘Wet invoering Beschikking geen loonheffingen’ dat onlangs bij de Tweede Kamer is ingediend. Financiën wil met de BGL de schijnzelfstandigheid bestrijden, en zzp-ers én hun opdrachtgevers kunnen aanspreken op de fiscale consequenties van hun arbeidsverhouding. Een opdrachtgever wordt mede verantwoordelijk voor een correcte fiscale behandeling van de arbeidsverhouding met zijn opdrachtnemer, maar alleen voor zover hij een beslissende invloed heeft op de manier waarop de zzp-er zijn werkzaamheden voor hem verricht.

Mankementen van de VAR

De VAR is alom bekend: het is een hulpmiddel voor de beoordeling van de arbeidsrelatie tussen opdrachtgever en opdrachtnemer. De opdrachtnemer – de zzp-er – kan de Belastingdienst vragen om vooraf een oordeel te geven over de fiscale kwalificatie van zijn werkzaamheden. De zzp-er verstrekt informatie aan de fiscus, en krijgt daarop een verklaring arbeidsrelatie. Er bestaan vier verschillende VAR’s, maar de zzp-er is alleen geïnteresseerd in een VAR winst uit onderneming of een VAR directeur-grootaandeelhouder. Die VAR’s bieden de opdrachtgever (sinds 2005) een vrijwaring, en als de opdrachtgever zeker weet dat hij geen loonheffing hoeft in te houden en geen premies werknemersverzekeringen en bijdrage Zorgverzekeringswet hoeft te betalen, zal hij de zzp-er eerder inhuren.
Voor de fiscus kan die vrijwaring duur uitpakken: als de VAR onjuist is kan de Belastingdienst daar de opdrachtgever niet op aanspreken, alleen de opdrachtnemer. En die biedt veelal minder verhaal. Dat moet met de BGL anders worden.

990_2014-05-009.jpgHet oordeel vooraf van de Belastingdienst over de fiscale kwalificatie van de werkzaamheden van de opdrachtnemer kan geen reële rechtszekerheid bieden. Het oordeel is gebaseerd op feiten en omstandigheden die zich nog moeten gaan voordoen als de zzp-er zijn VAR-aanvraag indient. Daarmee staat vast dat die zekerheid per definitie beperkt is. Als dan later blijkt dat de werkelijke feiten en omstandigheden anders zijn dan in de VAR-aanvraag is vermeld, zal de inspecteur de VAR moeten herzien, of de aangifte inkomstenbelasting van de opdrachtnemer moeten corrigeren. En dan blijkt steeds weer dat de zzp-er zich verdedigt met de eerder afgegeven VAR-verklaring. Want ondanks dat de zekerheid van de VAR per definitie beperkt is zijn veel opdrachtnemers zich daar niet van bewust. Met de VAR wordt zo een schijnzekerheid gecreëerd. Ook dat moet anders worden met de BGL.

Of de goede VAR op goede gronden is afgegeven, valt volledig binnen de verantwoordelijkheid van de opdrachtnemer. Hij vult de VAR-aanvraag in, en hij is verantwoordelijk voor de juistheid van de verstrekte informatie. De opdrachtgever heeft niet de plicht om te controleren of de goede VAR op goede gronden is afgegeven. Dit kan tot gevolg hebben dat de opdrachtgever, ook al moet hij naar de werkelijke omstandigheden beoordeeld als werkgever worden aangemerkt, toch niet aangesproken kan worden voor de afdracht van loonheffing en dergelijke. Dat is – zo vindt het kabinet – “onwenselijk, vanwege de gevolgen voor de rechtspositie van de opdrachtnemer, de arbeidsmarkt en de overheidsfinanciën”.

De BGL-aanvraag; de web-module
De opdrachtnemer kan – als de BGL-wet in het Staatsblad heeft gestaan – met een webmodule toetsen of hij een BGL kan krijgen. Hij moet daartoe gegevens verstrekken en een serie vragen beantwoorden, waarmee wordt vastgesteld of er bij de opdrachtgever een inhoudingsplicht bestaat voor de door de opdrachtnemer beschreven arbeidsverhouding. Anders gezegd, of de opdrachtgever loonheffing moet inhouden en afdragen en premies werknemersverzekering verschuldigd is. Direct na het invullen van de vragenlijst geeft de webmodule aan of de aanvraag wordt gehonoreerd. Vervolgens is het aan de opdrachtnemer of hij al dan niet daadwerkelijk een BGL aanvraagt.
Een BGL is nooit verplicht. Als een opdrachtnemer en opdrachtgever twijfelen over de aard van hun arbeidsverhouding kan een BGL uitkomst bieden. Een opdrachtgever kan de zzp-er om een BGL vragen.
Een opdrachtnemer zal veelal met één BGL kunnen volstaan voor al zijn opdrachten en opdrachtgevers. Dat is anders als hij verschillende soorten werkzaamheden verricht, of als hij één soort werkzaamheden onder verschillende omstandigheden uitvoert. Dan moet hij verschillende BGL’s aanvragen. Een BGL is maximaal 1 kalenderjaar geldig. Als de werkzaamheden na dat jaar doorlopen, moet een nieuwe BGL worden aangevraagd: een automatische verlenging (zoals bij de VAR) is niet mogelijk. Als de BGL niet gehonoreerd wordt kan de opdrachtnemer tegen die afwijzing in bezwaar en beroep komen.
Het invullen van de vragenset voor een BGL vergt volgens Financiën zo’n 20 minuten, mits de aanvrager de benodigde informatie bij de hand heeft. Bij een volgende BGL aanvraag wordt de eerdere aanvraag meegekopieerd, slechts de afwijkende gegevens moeten opnieuw ingevuld worden.

De BGL krijgt een veel beperktere reikwijdte dan de VAR. Als de Belastingdienst een BGL heeft afgegeven staat daarmee vast dat er voor de opdrachtgever – onder de in de BGL beschreven arbeidsverhouding – geen inhoudingsplicht bestaat voor de loonheffing en geen premies werknemersverzekering verschuldigd zijn. Niet meer, niet minder. De Belastingdienst geeft – anders dan bij de VAR – geen voorlopig oordeel over de vraag hoe de werkzaamheden en de inkomsten daaruit voor de heffing van inkomstenbelasting moeten worden gekwalificeerd.
Als de Belastingdienst later – bij controle of anderszins – constateert dat de werkelijke feiten en omstandigheden afwijken van de BGL en dat er toch sprake is van een dienstbetrekking, kunnen die inkomsten zonder meer als loon gekwalificeerd worden bij de aanslag inkomstenbelasting van de opdrachtnemer. Dat de opdrachtgever voor die inkomsten geen inhoudingsplicht had, doet dan niet ter zake.

De Raad van State heeft in zijn commentaar op dit wetsvoorstel grote twijfels uitgesproken over de webmodule, en met name over de vragenlijst waarmee de aard van de arbeidsrelatie moet worden vastgesteld. De Raad betwijfelt of met een enkele serie vragen de grens tussen ondernemerschap en werknemerschap duidelijk getrokken kan worden. Deze scheidslijn is niet eendimensionaal; het gaat om vele factoren die in hun onderlinge samenhang steeds van geval tot geval gewogen moeten worden.
Financiën houdt dat wél voor mogelijk. De vragen zijn ontwikkeld door een brede groep van deskundigen, en met de webmodule sluit aan bij de bestaande rechtspraak over de scheidslijn tussen zelfstandige arbeid en werknemerschap. Om de werking van de BGL te illustreren heeft Financiën een praktisch voorbeeld uitgewerkt: zie daarvoor het eind van deze special.

Medeverantwoordelijkheid van de opdrachtgever
Essentieel is de invoering van de medeverantwoordelijkheid van de opdrachtgever voor de controle op de juistheid van de BGL. Financiën wil zo het evenwicht in verantwoordelijkheid tussen opdrachtgever en opdrachtnemer herstellen.
De opdrachtgever kan slechts rekenen op de vrijwaring van de BGL als hij niet alleen de soort werkzaamheden controleert, maar ook de wijze waarop en de condities waaronder de zzp-er zijn werkzaamheden uitvoert. Dat moet volledig in overeenstemming zijn met de feiten en omstandigheden die op de BGL vermeld staan, de feiten en omstandigheden die de opdrachtnemer bij zijn aanvraag heeft gemeld.
De opdrachtgever hoeft niet en kan niet alle fiscaal relevante aspecten van de opdrachtnemer controleren. Hij moet uitsluitend controleren of de wijze waarop en de condities waaronder de opdrachtnemer zijn werkzaamheden verricht kloppen met de BGL. Hij moet uitsluitend die zaken controleren waarop hij als opdrachtgever een beslissende invloed heeft. Bijvoorbeeld of de opdrachtnemer zich vrijelijk kan laten vervangen voor de uitvoering van het werk, wie het risico draagt voor schade, of de opdrachtnemer volledig zelf zijn werktijden mag bepalen, en dergelijke. Punten waarop de opdrachtgever geen beslissende invloed heeft, hoeft hij niet te controleren. Denk aan vragen als hoeveel opdrachtgevers de zzp-er heeft, hoeveel hij investeert, of hij eigen gereedschappen etc. gebruikt. Deze punten staan dan ook niet in de BGL vermeld: de opdrachtgever hoeft zich bij de controle van de arbeidsverhouding enkel en alleen op de inhoud van de BGL te richten.

Als de Belastingdienst later constateert dat de werkelijke feiten en omstandigheden afwijken van de BGL, en er realiter toch een dienstbetrekking bestaat, is beslissend of dat een gevolg is van feiten en omstandigheden waar de opdrachtgever mede verantwoordelijk voor is. Of de geconstateerde onjuistheden feiten en omstandigheden betreffen waarop de opdrachtgever bij het invullen van de arbeidsverhouding een beslissende invloed had.

  Is dat niet het geval, en is de arbeidsverhouding ingevuld en het werk uitgevoerd in overeenstemming met hetgeen in de BGL is opgenomen, dan volgt er bij de opdrachtgever geen correctie of naheffing. Voor bonafide opdrachtgevers blijft het zo mogelijk om rechtszekerheid te verkrijgen. Maar anders dan bij de VAR kan de opdrachtgever zich niet automatisch op de BGL beroepen, hij moet controleren of de opdrachtnemer zijn werk in overeenstemming met de BGL verricht. Zo wordt schijnzelfstandigheid teruggedrongen.
Bij deze variant zal correctie bij de opdrachtnemer plaatsvinden. Zijn inkomsten kunnen voor de heffing van inkomstenbelasting zonder meer als loon gekwalificeerd worden, ook al had de opdrachtgever geen inhoudingsplicht voor die inkomsten.
 
  Is de opdrachtgever bij de feitelijke invulling van de arbeidsverhouding met de opdrachtnemer afgeweken van hetgeen in de BGL staat, dan kan hem een correctieverplichting of een naheffingsaanslag worden opgelegd. Die correctie betreft dan de volledige periode van tewerkstelling van de opdrachtnemer; de correctieverplichting of naheffing loopt terug tot het begin van de arbeidsrelatie. De opdrachtgever heeft hierbij wel de mogelijkheid van tegenbewijs dat de inhoudingsplicht pas op een later tijdstip is ontstaan.
Niet duidelijk is hoe correctie plaatsvindt als de mankementen in de feitelijke invulling van de arbeidsverhouding mede, of juist in overwegende mate betrekking hebben op feiten en omstandigheden waarvoor de opdrachtnemer verantwoordelijk was. Kennelijk kan de Belastingdienst dan toch volledig bij de opdrachtgever corrigeren.
Als de Belastingdienst bij de opdrachtgever corrigeert verkrijgt de opdrachtnemer – als werknemer – uitkeringsrechten onder de werknemersverzekeringen. Als de fiscus bij de opdrachtnemer corrigeert, is dat niet het geval.

De opdrachtgever moet naast de controle op de BGL ook aan een aantal (administratieve) vereisten voldoen. Hij moet:

controleren of de werkzaamheden worden verricht in het kalenderjaar waarvoor de BGL geldt;
een kopie van de BGL in zijn administratie bewaren;
de identiteit van de opdrachtnemer vaststellen aan de hand van een geldig identiteitsbewijs;
een kopie van dat identiteitsbewijs in de administratie opnemen en bewaren.

Inwerkingtreding en overgangsrecht
De BGL zal in werking treden op een nader te noemen tijdstip, ergens in de loop van volgend jaar. Dat zal niet meteen na plaatsing in het Staatsblad zijn. De Belastingdienst moet nog de nodige stappen zetten voor de implementatie van de nieuwe systematiek, en dat geldt ook voor opdrachtgevers.
Om dat alles goed te laten verlopen is voorzien in overgangsrecht, bestaande uit twee maatregelen:
het wordt mogelijk om alvast een BGL aan te vragen en af te geven als de wet in het Staatsblad is gepubliceerd, maar nog niet in werking is getreden. Zo wordt een gespreide aanvraag en afgifte van de BGL mogelijk.
De geldigheidsduur van VAR’s die betrekking hebben op 2014 wordt verlengd tot in 2015. Belastingplichtigen die nog geen VAR hebben, kunnen die alsnog aanvragen, ook in 2015, totdat de BGL in werking is getreden. Als de BGL in 2015 in werking treedt, kunnen in dat kalenderjaar zowel de VAR als de BGL voor een gedeelte van het jaar geldig zijn. De VAR en BGL kunnen niet naast elkaar bestaan: zodra de BGL in werking treedt vervallen alle VAR’s.

Voorbeeld werking BGL
Uit de bijlage bij de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet invoering Beschikking geen loonheffingen

Een opdrachtnemer die in het bezit is van een BGL heeft vragen beantwoord die op zijn situatie slaan, waaronder vragen die betrekking hebben op de voorwaarden en omstandigheden waaronder hij werkt. Dit houdt in dat op zijn BGL een aantal stellingen staan opgenomen die de opdrachtgever toetst.

Een BGL-houder, een loodgieter, heeft onder meer aangegeven dat hij gebruik maakt van zijn eigen gereedschap en materiaal en dat hij zich vrij kan laten vervangen. Ook deelt hij zijn eigen werktijden in en krijgt hij niet doorbetaald bij ziekte of verlof. Verder sluit hij zelf de overeenkomsten met zijn opdrachtgevers af. Dit zijn overigens opdrachtgevers waar hij niet in de laatste zes maanden in dienstbetrekking heeft gewerkt. Hij moet het werk overdoen als het werk niet goed is gedaan, zonder dat hij daar opnieuw voor betaald krijgt en hij heeft een beroepsaansprakelijkheidsverzekering afgesloten.

Deze informatie levert de volgende door zijn opdrachtgever(s) te toetsen stellingen op:

Uw opdrachtnemer zorgt zelf voor gereedschappen, hulpmiddelen en materialen;
De opdrachtnemer kan de werkzaamheden zonder uw toestemming door iemand anders laten uitvoeren;
Uw opdrachtnemer kan zelf de werktijden bepalen en hoeft zich ook niet te houden aan bloktijden;
Als uw opdrachtnemer ziek is, betaalt u niets door, u reserveert niets en u geeft geen toeslag voor ziektedagen;
Als uw opdrachtnemer vrij neemt, betaalt u niets door, u reserveert niets en u geeft geen toeslag voor vakantiedagen;
U sluit rechtstreeks een overeenkomst met uw opdrachtnemer;
Uw opdrachtnemer heeft in de afgelopen 6 maanden geen soortgelijk werk bij u in loondienst gedaan;
Als het werk niet voldoet aan de opdrachtovereenkomst, moet uw opdrachtnemer dat werk gratis aanpassen of opnieuw doen;
Uw opdrachtnemer is aansprakelijk voor de schade die hij veroorzaakt bij normale uitoefening van de werkzaamheden.

De opdrachtgever hoeft, nadat hij heeft vastgesteld dat de stellingen kloppen, niets meer te doen. De opdrachtgever moet een kopie van de BGL in zijn administratie bewaren.

Terug naar boven