Vraagtekens

Vrijstelling erfbelasting: ook voor niet-ondernemingsvermogen!

28 augustus 2012

De Successiewet kent een ruime tegemoetkoming bij schenking of vererving van ondernemingsvermogen. De bedrijfsopvolgingsfaciliteit (BOF) biedt een gunstige waarderingsregeling, een vrijstelling van € 1 miljoen en 83% over het surplus, en uitstel van betaling voor de schenk- of erfbelasting over het niet vrijgestelde vermogen.
Rechtbank Breda heeft recent beslist dat de BOF ook toegepast kan worden op vermogen dat niet (meer) kwalificeert als ondernemingsvermogen. De rechtbank baseert deze beslissing op het gelijkheidsbeginsel: er is geen objectieve en redelijke rechtvaardiging voor het – te grote – verschil in behandeling van ondernemings- en privévermogen; het verschil in behandeling is in strijd met het discriminatieverbod.


Kees van den Gronden dreef tot 2004 een landbouwonderneming. Na de staking van zijn onderneming had hij zijn landbouwgrond verpacht aan Teunis Terra. Toen Van den Gronden begin 2007 overleed, erfde Terra als enig erfgenaam dat voormalig ondernemingsvermogen, bestaande uit de verpachte landbouwgrond, diverse landbouwmachines en de boerderij. De waarde van de nalatenschap was € 530.725. Terra kreeg een aanslag erfbelasting van € 303.609. Die aanslag zou veel lager zijn geweest, namelijk € 63.998, als de BOF was toegepast. Terra stelde dat hij recht had op toepassing van die faciliteit, op grond van het gelijkheidsbeginsel.

730_2012-04-005.jpgDe inspecteur was het daar niet mee eens, Rechtbank Breda wél.
De rechtbank besliste dat de wetgever de vrijheid toekomt om ondernemings- en privévermogen fiscaal verschillend te behandelen, maar dan moet dat verschil wel de toets van de redelijkheid kunnen doorstaan. En dat is volgens de rechtbank niet (meer) het geval, na de verhoging – per 1 januari 2005 – van de vrijstelling van 30% naar 75%. (De vrijstelling is per 2010 verder verhoogd tot € 1 miljoen en 83% over het surplus; zie ook BelastingBelangen, december 2009: Schenk AB-aandelen tot € 1 miljoen belastingvrij aan uw kinderen).
De rechtbank toetste de verruiming van de vrijstelling aan de oorspronkelijke bedoeling van de BOF, te weten het voorkomen van een belemmering bij bedrijfsopvolging door schenking of vererving van de onderneming.
Die toets pakte goed uit voor belanghebbende. Door de hogere vrijstelling, zo constateerde de rechtbank, is de BOF ook van toepassing in situaties waarin de heffing van schenk- of erfbelasting geen enkele belemmering vormt voor de voorzetting van de onderneming. De wetgever heeft het versoepelen van een bedrijfsopvolging ook niet meer genoemd als argument ter onderbouwing van de hogere vrijstelling. Andere argumenten daarvoor heeft hij evenmin aangevoerd. Daarmee gaat de feitelijke ongemotiveerde begunstiging van ondernemingsvermogen veel verder dan redelijk is. De wetgever heeft daardoor de hem toekomende ‘ruime beoordelingsmarge’ overschreden: het verschil in behandeling tussen ondernemings- en privévermogen is in strijd met het discriminatieverbod in de zin van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR) en het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM).
De rechtbank paste de BOF alsnog toe. De rechtbank overwoog daarbij nog dat belanghebbende in sterke mate vergelijkbaar was met verkrijgers van ondernemingsvermogen (in de zin van de wet), omdat hij het geërfde vermogen – de verpachte landbouwgrond – al in gebruik had binnen zijn eigen onderneming. De rechtbank zette een deel van de aanslag erfbelasting om naar een conserverende aanslag (voor het bedrag aan erfbelasting dat behoort bij de voorwaardelijke vrijstelling). Dat gedeelte van de erfbelasting vervalt als belanghebbende zijn onderneming – inclusief het geërfde vermogen – nog tenminste vijf jaar na de vererving voortzet.

Commentaar
Dat deze uitspraak flink wat commotie heeft veroorzaakt, zal niemand verbazen. Als ook voor privévermogen een vrijstelling van € 1 miljoen plus 83% over het surplus aangehouden kan worden, betekent dat voor veel belastingbetalers het einde van de schenk- en erfbelasting. Zover is het nog niet: Financiën gaat in beroep tegen de uitspraak. De staatssecretaris heeft laten weten dat hij bereid is tot sprongcassatie, om de zaak rechtstreeks ten principale aan de Hoge Raad voor te leggen. Voor zo’n versnelde procedure is de medewerking van beide procespartijen vereist; nog niet bekend is of belanghebbende daar mee instemt.
De uitspraak heeft geleid tot vragen vanuit de Tweede Kamer en van de beroepsorganisatie van notarissen. De strekking van die vragen laat zich raden: moet iedere erfgenaam of begiftigde van niet-ondernemingsvermogen bezwaar maken tegen de aanslag schenk- of erfbelasting? Is de staatssecretaris bereid om de uitspraak toe te passen als de belastingplichtige geen bezwaar of beroep heeft aangetekend? En stel dat de uitspraak in de vervolgprocedure stand houdt, wil Financiën dan de bedrijfsopvolgingsfaciliteit gaan aanpassen, en hoe dan wel? Voor een antwoord op die vragen is het nu nog veel te vroeg. Duidelijk is wel dat erfgenamen en begiftigden er verstandig aan doen om – ter behoud van rechten – bezwaar te maken tegen nog niet definitief aanslagen erf- of schenkbelasting over de verkrijging van particulier vermogen.
Terug naar boven