Vraagtekens

BOF: onderneming of niet, per activiteit beoordelen!

27 april 2017

De bedrijfsopvolgingsfaciliteit in de Successiewet (de BOF) biedt ondernemers een vrijstelling voor de schenk- of erfbelasting van € 1.063.479 en 83% van het surplus, uitstel van betaling en een waarderingsfaciliteit. Zie ook BelastingBelangen, augustus 2009: Bedrijfsopvolging door schenking of vererving van de onderneming. De BOF is uitsluitend van toepassing op ondernemingsvermogen. Dat levert problemen op bij het beheer van vastgoed: Financiën neemt het standpunt in dat daarbij sprake is van beleggen van vermogen. De Hoge Raad heeft onlangs een opmerkelijke uitspraak gedaan voor vastgoedondernemers die het beheer van vastgoed combineren met projectontwikkeling. Bij de beoordeling of een vastgoed-BV een materiële onderneming drijft, moet die toetsing per soort werkzaamheden plaatsvinden. Van de projectontwikkelingsactiviteiten moet zelfstandig worden bezien, los van de andere activiteiten in de BV, of die kwalificeren als onderneming. Bij die aanpak kan eerder worden geconcludeerd dat het vermogen van de vastgoed-BV deels als ondernemingsvermogen kan worden aangemerkt.

Arend Uil en zijn twee zonen waren directeur en aandeelhouder – ieder voor 1/3 deel – van BV X, een onroerendgoedvennootschap. De BV exploiteerde vastgoed en deed aan projectontwikkeling. Arend Uil en zijn twee zonen verrichten nagenoeg alle werkzaamheden; de personeelskosten in de BV waren bescheiden. Op 1 februari 2011 overleed Arend. Zijn twee zonen erfden zijn aandelen in BV X, in de aangifte erfbelasting claimden zij de BOF-vrijstelling. De inspecteur verleende die niet. Zijns inziens was geen sprake van ondernemingsvermogen: de werkzaamheden in de BV kwalificeerden naar aard en omvang als het beleggen van vermogen, gericht op het behalen van een normaal rendement.

1260_2017-02-009.jpgHof Den Haag besliste dat de BV geen onderneming in materiële zin dreef én er was ook geen sprake van meer dan normaal actief vermogensbeheer.
In cassatie corrigeerde de Hoge Raad die uitspraak: de beslissing van het Hof dat de BV geen materiele onderneming dreef, was onjuist gemotiveerd. Het Hof had ter onderbouwing van zijn beslissing aangevoerd dat de projectontwikkelingsactiviteiten in de BV te beperkt van omvang waren ten opzichte van de andere werkzaamheden – de verhuur van vastgoed – om daar betekenis aan toe te kennen. De Hoge Raad vindt dat niet correct: bij de beoordeling of de projectontwikkelingsactiviteiten een materiële onderneming vormen moeten die werkzaamheden zelfstandig getoetst worden, los van de verhouding en de omvang van de andere activiteiten in de BV. De Hoge Raad verwees de zaak naar Hof Amsterdam.

Commentaar
Door de werkzaamheden in een BV per soort te beoordelen, kan bij een vastgoed-BV waar exploitatie en projectontwikkeling worden gecombineerd, eerder worden geconcludeerd dat de BV deels – voor de ontwikkelingsactiviteiten – een onderneming drijft. Het aan die werkzaamheden toe te kennen vermogen kwalificeert als ondernemingsvermogen. Deze uitspraak biedt vastgoedondernemers meer mogelijkheden om de BOF te benutten.
Terug naar boven

Privacy

Deze website maakt gebruik
van cookies. Meer informatie