Vraagtekens

Bedrijfsopvolging door schenking of vererving

15 november 2006

De belastingwet kent veel faciliteiten voor bedrijfsopvolging. De wetgever wil met die gunstregelingen de fiscale beletselen wegnemen voor een economisch wenselijke bedrijfsopvolging. En voorkomen dat door de belastingheffing bij de overdracht van het bedrijf de continuïteit van de onderneming in gevaar komt. De meeste faciliteiten voor bedrijfsopvolging betreffen de inkomsten- en vennootschapsbelasting, maar ook voor het schenkings- en successierecht bestaan belangrijke tegemoetkomingen.
Zo biedt de 'bedrijfsopvolgingsregeling in de Successiewet' een vrijstelling voor ondernemings-vermogen van maar liefst 60%. En die vrijstelling wordt per 1 januari 2007 verder verhoogd, tot 75%. Uit diverse beleidspublicaties van Financiën blijkt dat de 'bedrijfsopvolgings-regeling in de Successiewet' veel vaker toegepast kan worden dan veel ondernemers en hun adviseurs denken. Dat alles maakt het erg aantrekkelijk om een bedrijfsopvolging in de familiesfeer plaats te laten vinden door schenking of vererving van de onderneming.


De bedrijfsopvolgingsregeling in de Successiewet
De bedrijfsopvolgingsregeling in de Successiewet omvat drie gunstregelingen: een vrijstelling, een soepele waardering van ondernemingsvermogen én een regeling voor uitstel van betaling. Deze faciliteiten zijn van toepassing bij het schenken of vererven van ondernemingsvermogen.


Een vrijstelling van - straks - 75%
Bij schenking of vererving van ondernemings-vermogen in 2006 is 60% daarvan vrijgesteld van de heffing van schenkings- of successierecht. Per 1 januari 2007 wordt die vrijstelling zelfs 75%.
De vrijstelling geldt uitsluitend voor 'ondernemingsvermogen'. Voor ondernemers in de inkomstenbelasting omvat dat het gehele vermogen van de onderneming.
Denk aan het vermogen in een eenmanszaak, of in een aandeel in een vennootschap onder firma. Maar ook het vermogen bij een medegerechtigdheid in een commanditaire vennootschap, zoals een scheepvaart- of film-cv, komt in aanmerking voor de vrijstelling.
Heeft de ondernemer een vermogensbestanddeel - als keuzevermogen - tot zijn privé-vermogen gerekend, dan is de vrijstelling daarop niet van toepassing. Ook het vermogen dat onder de terbeschikkingstellingsregeling valt, deelt niet in de vrijstelling.

Wordt de onderneming in een BV gedreven, dan geldt de vrijstelling uitsluitend voor de waarde van aanmerkelijk-belangaandelen in die BV. Vereist is dat de vennootschap een onderneming drijft; aandelen in een beleggings-BV vallen buiten de faciliteit.
Voor een BV die een onderneming drijft én daarnaast een deel van haar vermogen heeft belegd, geldt de vrijstelling slechts voor het 'echte' ondernemingsvermogen. Dat is de waarde van de zaken in de BV die geheel of nagenoeg geheel bestemd zijn voor de bedrijfsuitoefening.
Maar omdat het onderscheid tussen ondernemings- en beleggingsvermogen niet altijd even duidelijk is, kent de wet een versoepeling: beleggingen tot maximaal 15% van de waarde van de aandelen in de BV kunnen alsnog onder de (60%, en vanaf 2007 de 75%) vrijstelling worden gebracht.
Bij een holdingstructuur kan de vrijstelling geconsolideerd worden toegepast, mits de holding-BV het beleid in de dochter-BV bepaalt of medebepaalt.


Over het vrijgestelde bedrag aan ondernemingsvermogen (de voorwaardelijk onbelast geconserveerde waarde) wordt een conserverende aanslag schenkings- of successierecht vastgesteld.
De verkrijger hoeft deze aanslag niet te betalen: er wordt vijf jaar renteloos uitstel van betaling verleend. Heeft de verkrijger de onderneming de vereiste vijf jaar voortgezet, dan wordt de aanslag verminderd tot nihil.

22_Najaarsnummer_Afbeelding_5.JPGRuime toepassingsmogelijkheden
Financiën heeft de toepassing van de vrijstelling aanzienlijk verruimd door goed te keuren dat die ook kan worden toegepast bij diverse vormen van vermogensovergang die strikt genomen geen schenking of vererving van onder-nemingsvermogen zijn.
Bijvoorbeeld bij een legaat tegen inbreng van de waarde. Of bij de verkoop van een onderneming waarbij de koper de koopsom (gedeeltelijk) schuldig blijft, en de verkoper die schuld vervolgens bij wijze van schenking (gedeeltelijk) kwijtscheldt.
Wordt de koopsom in fasen kwijtgescholden, dan valt alleen de eerste kwijtschelding onder de vrijstelling.

Schenk uw onderneming aan uw kind!
Waarde € 225.000, schenkingsrecht € 2.412, te betalen over 10 jaar!

Kees Bloem is 56 jaar en drijft al jaren een bloemenwinkel. Op 1 november 2006 schenkt hij zijn onderneming aan dochter Astrid (21 jaar). De onderneming is gevestigd in een (te) groot pand, waardoor de liquidatiewaarde van de onderneming hoger is dan de going-concernwaarde. De liquidatiewaarde bedraagt € 225.000, de going-concernwaarde € 150.000.
Astrid kan de bedrijfsopvolgingsregeling uit de Successiewet toepassen.
Op verzoek worden haar drie conserverende aanslagen in het schenkingrecht opgelegd:

een aanslag over het verschil van € 75.000 tussen de liquidatiewaarde en de going-concernwaarde van de onderneming;
een aanslag over € 90.000, het voorshands vrijgestelde gedeelte van 60% van de going-concernwaarde;
Voor beide conserverende aanslagen krijgt Astrid vijf jaar renteloos uitstel van betaling. Zet zij de onderneming vijf jaar onafgebroken en ongewijzigd voort, dan worden die aanslagen verminderd tot nihil.
een aanslag over € 60.000, de resterende 40% van de schenking. Astrid moet deze aanslag in één termijn over 10 jaar voldoen; over het uitstel is zij invorderingsrente verschuldigd. Zij kan deze belastingschuld niet in aftrek brengen op haar vermogen in box 3.

Over het belaste gedeelte van de schenking (van € 60.000) is Astrid € 4.290 aan schenkingsrecht verschuldigd als de jaarlijkse schenkingsvrijstelling van € 4.342 wordt toegepast. Wordt de eenmalig verhoogde vrijstelling van € 21.700 toegepast, dan is Astrid geen € 4.317, maar slechts € 2.412 schenkingsrecht verschuldigd. Te betalen over 10 jaar!
Kees staakt zijn onderneming door die aan Astrid te schenken. De opbrengst van de onderneming wordt daarbij (fictief) gesteld op de waarde in het economisch verkeer. Kees kan op zijn stakingswinst de gebruikelijke faciliteiten toepassen: de stakingsaftrek van € 3.630 en de stakingslijfrenteaftrek. Als Kees deze lijfrenteaftrek wil benutten, zal hij privé gelden moeten aanwenden: hij ontvangt immers geen vergoeding van dochter Astrid.
Kees kan de belastingheffing over de stakingswinst voorkomen door zijn onderneming geruisloos door te schuiven aan dochter Astrid. Zij neemt dan de belastingclaim op de stille reserves over. Daardoor neemt de omvang van de schenking af, en daarmee ook het verschuldigde schenkingsrecht. Vereist is dan wel dat Astrid in de (ten minste) 3 voorafgaande jaren bij vader Kees in loondienst is geweest.

Die dienstbetrekking kan minimaal zijn; voldoende is dat Astrid als zaterdaghulp heeft gewerkt.


Voorwaarden

De erflater / schenker
Bij vererving geldt voor de erflater maar één voorwaarde: hij moet ondernemingsvermogen nalaten. Bij schenking gelden extra vereisten: de schenker moet 55 jaar of ouder zijn, ofwel voor 45% of meer arbeidsongeschikt zijn, én hij moet de onderneming vijf jaar drijven, ofwel de aanmerkelijk-belangaandelen vijf jaar in bezit hebben.

De verkrijger
De verkrijger - de erfgenaam of de begiftigde - moet de onderneming vijf jaar voortzetten.
Bij overgang van een IB-onderneming moet de verkrijger de onderneming rechtstreeks voort-zetten, en winst uit onderneming genieten.
Bij overgang van aanmerkelijk-belangaandelen
moet de BV de onderneming vijf jaar voortzetten; de verkrijger mag de aandelen in de BV gedurende deze periode niet vervreemden. De wet kent diverse uitzonderingen op de voortzettingseis.


Financiën gaat soepel om met de voorwaarden waaraan de erflater moet voldoen. Zo is de vrijstelling niet alleen van toepassing bij het overlijden van de ondernemer zelf, maar ook bij het overlijden van diens echtgenoot als zij in gemeenschap van goederen gehuwd waren.
De faciliteit kan zelfs worden benut als de ondernemer op huwelijkse voorwaarden is gehuwd en de waarde van de onderneming dan wel de aandelen in de BV krachtens een finaal verrekenbeding moet worden gedeeld.

De waarderingsfaciliteit
De Successiewet verplicht de ondernemer om zijn ondernemingsvermogen te waarderen op "de waarde in het economisch verkeer van dat vermogen met inbegrip van de voor overdracht vatbare goodwill, maar ten minste op de liquidatiewaarde". Gebruikelijk is een waardering van de onderneming op de going-concernwaarde.
Soms is die going-concernwaarde lager dan de liquidatiewaarde, de geschatte opbrengst bij verkoop van de diverse afzonderlijke vermogensbestanddelen van de onderneming. Bijvoorbeeld bij een onderneming met onder-rentabiliteit. Op grond van de wet moet dan de hogere liquidatiewaarde worden aangehouden en is daarover schenkings- of successierecht verschuldigd. En dat is een probleem als de verkrijger die hogere waarde niet incasseert, omdat hij de onderneming voorzet.
De waarderingsfaciliteit biedt hier uitkomst. De wet staat toe om het verschil tussen de (hogere) liquidatiewaarde en de (lagere) going-concernwaarde buiten de heffing te houden, mits de verkrijger de onderneming vijf jaar voortzet.
Wordt de onderneming in BV-vorm gedreven, dan moet de BV de onderneming vijf jaar voortzetten; de verkrijger mag zijn aandelen in de BV niet binnen deze periode vervreemden.
Over het verschil tussen de liquidatiewaarde en de going-concernwaarde wordt schenkings- of successierecht geheven in de vorm van een conserverende aanslag. De verkrijger hoeft deze aanslag niet te betalen: er wordt hem vijf jaar renteloos uitstel van betaling verleend. Heeft de verkrijger de onderneming de vereiste vijf jaar voortgezet, dan wordt de aanslag verminderd tot nihil.

Uitstel van betaling
Voor het schenkings- of successierecht dat verschuldigd is over het restant (het niet vrijgestelde gedeelte van 40%, en vanaf 1 januari 2007: 25%) van het verkregen ondernemingsvermogen kan - onder voorwaarden - uitstel van betaling worden verkregen. De aanslag moet dan in één termijn worden betaald, ná 10 jaar.
Over het uitstel is invorderingsrente verschuldigd. De verkrijger kan het verschuldigde bedrag aan schenkings- of successierecht niet in mindering brengen op de grondslag voor de vermogens-rendementsheffing in box 3.

Terug naar boven

Privacy

Deze website maakt gebruik
van cookies. Meer informatie