Vraagtekens

Bedrijfsopvolging door schenking of vererving van de onderneming

31 augustus 2009

Onze belastingwetgeving kent volop faciliteiten voor een bedrijfsopvolging. De meeste faciliteiten betreffen de heffing van inkomsten- en vennootschapsbelasting, maar ook voor het schenkings- en successierecht bestaan belangrijke tegemoetkomingen. De bedrijfsopvolgingsregeling in de Successiewet biedt een profijtelijk drieluik: een gunstige waarderingsregeling, een vrijstelling van 75% en tien jaar uitstel van betaling. Die regeling is al eerder in BelastingBelangen toegelicht, in november 2006 in de special Bedrijfsopvolging door schenking of vererving. Sindsdien is de regeling op diverse onderdelen aangepast en dat gaat opnieuw gebeuren per 1 januari 2010, als de nieuwe Successiewet wordt ingevoerd. Financiën stelt voor om de vrijstelling te verhogen van 75% naar 90%, en de grondslag voor de vrijstelling wordt verruimd én op andere onderdelen beperkt. Daarnaast worden de voorwaarden om de regeling te kunnen toepassen her en der aangescherpt.
Ondernemers in het MKB die nadenken over een bedrijfsopvolging (in de familiesfeer) moeten zich oriënteren op de BOF, de bedrijfsopvolgingsfaciliteit uit de Successiewet. Die BOF kan bij een bedrijfsoverdracht in de familiesfeer een fors belastingvoordeel opleveren.
In deze special een overzicht van de huidige regeling, en de te verwachten nieuwe regeling vanaf 1 januari 2010.

De bedrijfsopvolgingsregeling: een profijtelijk drieluik
De bedrijfsopvolgingsregeling in de Successiewet omvat drie gunstregelingen: een waarderingsfaciliteit, een vrijstelling én uitstel van betaling voor het per saldo verschuldigde schenkings- of successierecht, in de nieuwe Successiewet aangeduid als schenk- en erfbelasting.

De waarderingsfaciliteit
De Successiewet bepaalt dat ondernemingsvermogen gewaardeerd moet worden op ‘de waarde in het economisch verkeer van dat vermogen met inbegrip van de voor overdracht vatbare goodwill, maar ten minste op de liquidatiewaarde’. De waarde in het economisch verkeer is ‘de prijs die de beste koper op de beste markt na de beste voorbereiding wil betalen’.
Bij ondernemingen leidt dat veelal tot een waardering op de ‘going-concernwaarde’ , de waarde van de onderneming als die wordt voortgezet. Maar soms is die ‘going-concernwaarde’ lager dan de ‘liquidatiewaarde’: de waarde als de onderneming wordt geliquideerd en de activa en passiva afzonderlijk worden verkocht of afgewikkeld. Denk aan een onderneming met een te grote productiecapaciteit, of een onderneming die gevestigd is in een objectief bezien veel te duur pand. De Successiewet verplicht dan om de hogere ‘liquidatiewaarde’ aan te houden als grondslag voor de belastingheffing. En dat is problematisch als de verkrijger – de begiftigde of de erfgenaam – die hogere waarde niet zal incasseren, omdat hij de onderneming voortzet.
De bedrijfsopvolgingsregeling biedt hier uitkomst. Het verschil tussen de (hogere) liquidatiewaarde en de (lagere) going-concernwaarde kan buiten de belastingheffing worden gehouden, mits de verkrijger de onderneming vijf jaar voortzet. Wordt de onderneming in BV-vorm gedreven, dan moet de BV de onderneming vijf jaar voortzetten; de verkrijger mag de aandelen in de BV dan in deze periode niet vervreemden.
Deze waarderingsfaciliteit wordt in de nieuwe Successiewet ongewijzigd gehandhaafd.

De vrijstelling
Bij schenking of vererving van ondernemingsvermogen is onder de huidige regeling 75% van dat vermogen - onder voorwaarden - vrijgesteld van de heffing van schenkings- of successierecht. Voorgesteld wordt om deze vrijstelling te verhogen tot 90%.

294_special2.jpgDat is goed nieuws voor MKB-ondernemers en hun adviseurs. Door deze hoge vrijstelling wordt de overgang van ondernemingsvermogen nagenoeg onbelast gelaten. Bij schenking of vererving van ondernemingsvermogen in de familiesfeer komt de schenk- of erfbelasting – mede gelet op de aanpassing van de tarieven – uit op de contante waarde van de 10% of 20% heffing, ofwel circa 1,4%!
De vrijstelling geldt uitsluitend voor ‘ondernemingsvermogen’.
Bij persoonlijke ondernemingen, zoals een eenmanszaak of een firma, geldt als ondernemingsvermogen het gehele vermogen van de onderneming. Heeft de ondernemer een vermogensbestanddeel - als keuzevermogen - tot zijn privé-vermogen gerekend, dan is de vrijstelling daarop niet van toepassing. Ook het vermogen dat onder de terbeschikkingstellingsregeling valt, deelt thans niet in de vrijstelling.
Wordt de onderneming in BV-vorm gedreven, dan geldt de vrijstelling uitsluitend als de erflater of schenker ten minste 5% van het geplaatste aandelenkapitaal (een aanmerkelijk belang) in de BV heeft. Financiën heeft goedgekeurd dat bij een niet rechtstreeks gehouden aandelenbezit van 5% (in de werkmaatschappij) de bedrijfsopvolgingsregeling - onder voorwaarden - ook van toepassing is. Vereist is dat de BV een onderneming drijft. Bij een holdingstructuur kan dat geconsolideerd worden bezien, mits de houdstervennootschap het beleid in de dochtervennootschap bepaalt of medebepaalt (de zogenaamde beleidseis). Indien de houdstervennootschap tenminste 50% van de aandelen in de dochtervennootschap bezit, is per definitie aan deze beleidseis voldaan. Daarbij gelden geen specifieke eisen voor wat betreft de soort aandelen.

Ruime toepassingsmogelijkheden
Financiën heeft de toepassing van de vrijstelling aanzienlijk verruimd door goed te keuren dat die ook kan worden toegepast bij diverse vormen van vermogensovergang die strikt genomen geen schenking of vererving van ondernemingsvermogen zijn. Bijvoorbeeld bij een legaat tegen inbreng van de waarde. Of bij de verkoop van een onderneming waarbij de koper de koopsom (gedeeltelijk) schuldig blijft, en de verkoper die schuld vervolgens bij wijze van schenking (gedeeltelijk) kwijtscheldt. Wordt de koopsom in fasen kwijtgescholden, dan valt alleen de eerste kwijtschelding onder de vrijstelling.

Schenk uw onderneming aan uw kind!
Waarde € 225.000, schenkingsrecht € 737, te betalen over 10 jaar!


Kees Bloem is 56 jaar en drijft al jaren een bloemenwinkel. Op 1 november 2009 schenkt hij zijn onderneming aan dochter Astrid (21 jaar). De onderneming is gevestigd in een (te) groot pand, waardoor de liquidatiewaarde van de onderneming hoger is dan de going-concernwaarde. De liquidatiewaarde bedraagt € 225.000, de going-concernwaarde € 150.000.

Astrid kan de bedrijfsopvolgingsregeling uit de Successiewet toepassen. Zij krijgt drie aanslagen in het schenkingrecht opgelegd:

1. een aanslag over het verschil van € 75.000 tussen de liquidatiewaarde en de going-concernwaarde van de onderneming;
2. een aanslag over € 112.500, het voorshands vrijgestelde gedeelte van 75% van de going-concernwaarde;
Voor beide aanslagen krijgt Astrid vijf jaar renteloos uitstel van betaling. Zet zij de onderneming vijf jaar onafgebroken en ongewijzigd voort, dan worden die aanslagen verminderd tot nihil.
3. een aanslag over € 37.500, de resterende 25% van de schenking. Astrid moet deze aanslag in één termijn over 10 jaar voldoen; over het uitstel is zij invorderingsrente verschuldigd. Zij kan deze belastingschuld niet in aftrek brengen op haar vermogen in box 3.

De vrijstelling in 2010
De grondslag voor de vrijstelling wordt per 1 januari 2010 verruimd én beperkt.
Een overzicht van de voorgestelde aanpassingen:
 

Het begrip ‘ondernemingsvermogen’ wordt op onderdelen aangepast.
Uitgangspunt van de nieuwe regeling is dat de directeur-grootaandeelhouder van een BV en de IB-ondernemer zoveel mogelijk gelijk worden behandeld. Voor de uitleg van ‘het drijven van een onderneming in een BV’ zal worden aangesloten bij het ondernemingsbegrip voor de inkomstenbelasting.
Bij een BV moet onderscheid gemaakt worden tussen ondernemings- en beleggingsvermogen. Beleggingsvermogen deelt in beginsel niet in de vrijstelling. Volgens de huidige regeling is beleggingsvermogen tot maximaal 15% van de waarde van de aandelen (inclusief de beleggingen) vrijgesteld. Die marge wordt teruggebracht tot 5% van de waarde van het ondernemingsvermogen (dus exclusief de beleggingen) in de BV.
Beleggingsvermogen is vermogen dat duurzaam overtollig is.
Beleggingsvermogen is niet vrijgesteld als het in de vennootschap is gestort binnen vijf jaar vóór de schenking of één jaar voor het overlijden.
Nieuw is dat een pand dat de directeur- grootaandeelhouder aan zijn BV ter beschikking stelt, ook onder de vrijstelling kan worden gebracht. De vrijstelling wordt slechts verleend als de onroerende zaak ter beschikking
wordt gesteld aan een BV waarin de erflater of schenker zelf een aanmerkelijk belang heeft. Voorts is vereist dat de verkrijger zowel het pand als een pakket aanmerkelijk-belangaandelen in de vennootschap verkrijgt én hij de terbeschikkingstelling voortzet: de onroerende zaak moet dienstbaar blijven aan de onderneming van de vennootschap. De regeling geldt niet voor andere zaken die de directeur-grootaandeelhouder aan zijn BV ter beschikking stelt, zoals bijv. een geldlening.
Nieuw is ook dat de verkrijging van een indirect en een direct belang in een actieve BV zoveel mogelijk gelijk behandeld gaat worden. Voorgesteld wordt om bij een holdingstructuur de bezittingen en schulden van een
dochtervennootschap aan de houdstervennootschap toe te rekenen bij de beoordeling of aan de gestelde eisen is voldaan. De thans gehanteerde beleidseis bij holdingstructuren komt te vervallen.
De toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling bij BV’s wordt beperkt tot houders van een ‘echt’ of een fictief aanmerkelijk belang: een meetrek- aanmerkelijk belang is niet langer toereikend.
Onder de huidige regeling komen (cumulatief) preferente aandelen in een BV zonder meer in aanmerking voor toepassing van de faciliteit. Dat gaat veranderen. Preferente aandelen komen nog slechts in aanmerking voor
de vrijstelling als voldaan is aan vier voorwaarden:
  de preferente aandelen zijn ontstaan door omzetting van een eerder door de erflater of schenker gehouden aanmerkelijk belang in gewone aandelen;
  ten tijde van die omzetting drijft de BV een onderneming;
  bij die omzetting in preferente aandelen zijn tegelijkertijd gewone aandelen toegekend aan de bedrijfsopvolger;
  de preferente aandelen worden door schenking of vererving verkregen door de bedrijfsopvolger, degene die de gewone aandelen houdt die eerder door de BV zijn uitgegeven.

293_special1.jpgIn de wet wordt vastgelegd dat wanneer ondernemingsvermogen verkregen wordt onder een last of een tegenprestatie, de waarde daarvan niet in mindering wordt gebracht op het ondernemingsvermogen. De last of tegenprestatie heeft geen beperkend effect op de vrijstelling.

Uitstel van betaling
Voor de belasting die krachtens de Successiewet verschuldigd is over het restant (van 25%, en vanaf 2010 van 10%) van het verkregen ondernemingsvermogen kan – onder voorwaarden – rentedragend uitstel van betaling worden verkregen van 10 jaar. Deze aanslag moet na 10 jaar in één termijn worden betaald. Over het uitstel is invorderingsrente verschuldigd.
Ook kan 10 jaar uitstel van betaling worden verkregen voor het successierecht dat een erfgenaam verschuldigd is over de waarde van een vordering die hij verkrijgt op een mede-erfgenaam omdat die wordt overbedeeld (mits en voor zover er tegenover die vordering ondernemingsvermogen staat). In beide situaties geldt dat de verkrijger de verschuldigde belasting niet in mindering kan brengen op zijn vermogen in box 3.

Voorwaarden voor erflater / schenker en verkrijger
De bedrijfsopvolgingsregeling stelt ook eisen aan de erflater / schenker én de verkrijger.
De erflater moet bij zijn overlijden ondernemingsvermogen hebben, in de vorm van vermogen in een eenmanszaak of een firma of een pakket aanmerkelijk-belangaandelen in een BV die (geconsolideerd bezien) een onderneming drijft. Daarbij geldt thans geen bezitseis. Voorgesteld wordt om per 1 januari 2010 voor de erflater een bezitseis van één jaar in te voeren: hij moet het ondernemingsvermogen / de aanmerkelijk-belangaandelen in een actieve BV ten minste één jaar direct voorafgaand aan zijn overlijden in bezit hebben gehad.

Bij schenking geldt de eis dat de gulle gever - de schenker - 55 jaar of ouder moet zijn, ofwel voor 45% of meer arbeidsongeschikt, én hij het ondernemingsvermogen meer dan twee jaar in bezit heeft. Ook deze eis wordt aangepast in de nieuwe Successiewet: de voorwaarde dat de schenker 55 jaar of ouder, ofwel voor 45% of meer arbeidsongeschikt moet zijn, komt te vervallen.

De verkrijger – de begiftigde of de erfgenaam – moet de verkregen onderneming vijf jaar voortzetten. Bij een persoonlijke onderneming moet de verkrijger de onderneming rechtstreeks voortzetten en winst uit onderneming gaan genieten, bij overgang van aandelen in een BV moet de BV de onderneming vijf jaar voortzetten en de verkrijger de aandelen in de BV vijf jaar in bezit houden. De wet kent meerdere uitzonderingen op deze voortzettingseis.
Voorgesteld wordt om de voortzettingseis aan te scherpen. De verkrijger van een persoonlijke onderneming mag zijn belang in die onderneming niet binnen vijf jaar omzetten in een medegerechtigdheid (een positie als commanditaire vennoot), de verkrijger van een pakket aandelen in een actieve BV mag dat belang binnen dezelfde vijfjaarsperiode niet omzetten in preferente aandelen, op straffe van het vervallen van de vrijstelling.

Werk aan de winkel
Veel ondernemers in het MKB denken na over bedrijfsopvolging. Bij een bedrijfsoverdracht in de familiesfeer kan de bedrijfsopvolgingsregeling in de Successiewet een fors belastingvoordeel opleveren. Dat wordt met de voorgestelde nieuwe regeling, die per 1 januari 2010 moet ingaan, nog beter! Die nieuwe regeling noopt tot een herbeoordeling van eerder opgestelde plannen voor een bedrijfsopvolging in de toekomst. Dat geldt met name voor structuren waarbij gebruik is - of wordt - gemaakt van (cumulatief) preferente aandelen. Dat betekent werk aan de winkel voor de ondernemer én zijn adviseur. Lonend werk, dat wel!
Terug naar boven

Privacy

Deze website maakt gebruik
van cookies. Meer informatie