Vraagtekens

Belastingplan 2017

23 september 2016

Tarieven en heffingskortingen

Aanpassing tarief loon- en inkomstenbelasting
Het tarief in de inkomstenbelasting gaat iets omhoog, de bovengrens van de derde schijf – het startpunt voor de 52% heffing – wordt opgetrokken van € 66.421 naar € 67.072.
Het tarief 2017 luidt als volgt, voor personen die geboren zijn op of na 1 januari 1946:

Tarief 2017
Belastbaar inkomen tarief tot
AOW-leeftijd
tarief boven
AOW-leeftijd
1e   schijf nihil tot € 19.982 36,55% (36,55%) 18,65% (18,65%)
2de schijf van € 19.982 tot € 33.791 40,80% (40,40%) 22,90% (22,50%)
3de schijf van € 33.791 tot € 67.072 40,80% (40,40%) 40,80% (40,40%)
4de schijf van € 67.072 52% (52%) 52% (52%)

1198_2016-belastingplan-006.jpg
Heffingskortingen
De algemene heffingskorting gaat per saldo met € 12 omhoog naar € 2.254, bij een inkomen van € 10.000. De korting neemt geleidelijk af tot nihil bij een belastbaar inkomen van € 70.000.

De maximale arbeidskorting wordt in 2017 iets verhoogd, van € 3.103 naar € 3.223. De arbeidskorting is inkomensafhankelijk en neemt af naarmate de arbeidsinkomsten hoger zijn. Het startpunt van de afbouw ligt in 2017 bij € 32.444; bij een inkomen van € 130.000 in 2017 is de arbeidskorting nihil.

De ouderenkorting wordt verhoogd en komt uit op € 1.292 voor pensioengerechtigden met een inkomen dat niet hoger is dan € 36.057.

Maatregelen voor particulieren

Rentemiddeling eigen woning
De huidige lage rente is voor veel huiseigenaren reden om de lopende financiering op de eigen woning – de hypotheek – om te zetten in een nieuwe lening met een lagere rente. Bij zo’n omzetting is veelal boeterente verschuldigd. Om te voorkomen dat die boeterente ineens moet worden betaald, kan de huiseigenaar kiezen voor rentemiddeling. Bij rentemiddeling wordt de rente op de lopende eigenwoninglening gemiddeld met de actuele, lagere markrente. De rentevastperiode wordt vervangen door een nieuwe rentevastperiode, en voor die nieuwe periode geldt de gemiddelde rente, plus een opslag. Die opslag bestaat uit twee elementen:

de boeterente als compensatie voor de gemiste rente op de voortijdig afgeloste lening. Die boeterente wordt uitgesmeerd over de resterende looptijd van de lening, én
andere opslagen, met name ter vergoeding voor het risico van het vroegtijdig volledig aflossen van de hypotheek bij verkoop van de woning.
Financiën heeft bij beleidsbesluit goedgekeurd dat de ‘uitgesmeerde’ boeterente fiscaal aftrekbaar blijft als kosten van een eigenwoningschuld. De opslag als vergoeding voor het risico van vroegtijdig volledig aflossen van de hypothecaire lening - bij verkoop – kan niet als rente of kosten van een geldlening worden aangemerkt en is dan ook niet aftrekbaar. Deze opslag moet worden afgesplitst, maar die splitsing kan achterwege blijven – en de gehele vergoeding is als rente aftrekbaar – als het totaal van de opslagen niet meer dan 0,2% bedraagt. Dit beleidsbesluit wordt alsnog in de wet opgenomen.

Woning in aanbouw

982_2014-05-001.jpgEen woning ’in aanbouw’ kwalificeert fiscaal als een eigen woning: de financieringsrente op een woning in aanbouw is fiscaal aftrekbaar. De Hoge Raad heeft in 2014 beslist dat voor een woning ‘in aanbouw’ vereist is dat er sprake is van een bouwsel, en dat begonnen is met de bouwwerkzaamheden, bijv. met het heien of het plaatsen van een fundering. Financiën heeft deze beperkte uitleg afgewezen, en bij beleidsbesluit een ruimere toepassing van een woning in aanbouw geaccordeerd. Dat beleidsbesluit wordt alsnog in de wet opgenomen.
Bij een nieuwbouwwoning is sprake van een woning in aanbouw – en mitsdien van aftrekbare financieringsrente – vanaf het tijdstip van het sluiten van de koop-aanneemovereenkomst. Voorts is - bij wijze van fictie - ook sprake van een eigen woning vanaf zes maanden voorafgaand aan de start van de feitelijke bouwwerkzaamheden. De belastingplichtige kan in voorkomende gevallen aantonen dat die periode langer moet zijn. In alle gevallen blijft vereist dat de woning (in aanbouw) uitsluitend bestemd is om in het kalenderjaar of in een van de daaropvolgende drie jaren de belastingplichtige als eigen woning ter beschikking te staan.

Maximum hypotheek eigen woning
De maximaal te verkrijgen hypotheek ten opzichte van de waarde van de eigen woning gaat per 1 januari 2017 verder omlaag, naar 101% van de woningwaarde. Vanaf 2018 kan niet meer worden geleend dan de woning waard is.

Vruchtgebruik op de eigen woning
Bij de testamentaire vererving van een eigen woning ontstaat vaak een gesplitst recht op die woning: de langstlevende verkrijgt het recht van vruchtgebruik, de kinderen de blooteigendom. Voor de vruchtgebruiker valt die woning (in beginsel) onder de eigenwoningregeling in box 1.
Als op de vererfde eigenwoning een eigenwoningschuld rust, zal die schuld veelal aan de blooteigenaar toegerekend moeten worden. Als de vruchtgebruiker, de langstlevende ouder, de rente op die schuld voor zijn rekening neemt, kan hij die niet in aftrek brengen in box 1. Financiën vindt dat ongewenst, en bij beleidsbesluit (in 2014) is (met terugwerkende kracht tot 1 januari 2013) goedgekeurd dat de vruchtgebruiker de rente en kosten op de eigenwoninglening toch in aftrek kan brengen.
Dit besluit wordt – met enkele aanpassingen – in de belastingwet opgenomen.
De aftrek van rente en kosten bij de vruchtgebruiker wordt wettelijk vastgelegd, en als de vruchtgebruiker de partner van de erflater was blijft diens aflossingsschema van toepassing. Als de erflater een aflossingsvrije eigenwoningschuld had, gaat dat aflossingsvrije karakter over op de vruchtgebruiker. Is de verkrijger niet de partner van de erflater, dan wordt de financiering niet als een bestaande, maar als een nieuwe eigenwoningschuld aangemerkt, met de verplichte aflossing tot nihil in 30 jaar, tenminste annuïtair.
1102_2015-05-012.jpgVoorts wordt vastgelegd dat wanneer de vruchtgebruiker (zijn recht van vruchtgebruik op) de eigen woning vervreemdt, er geen vervreemdingssaldo eigen woning kan ontstaan. Een eigenwoningreserve blijft achterwege. De restschuldbepaling geldt wél voor de vruchtgebruiker: als hij de verkregen eigen woning vervreemdt waarvan hij de kosten en lasten moet dragen, en bij die verkoop resteert een restschuld, dan is de rente op die restschuld ook na de vervreemding fiscaal aftrekbaar.

Tijdklem kapitaalverzekering eigen woning
Veel huiseigenaren hebben een kapitaalverzekering of spaarrekening eigen woning afgesloten. Met zo’n verzekering of spaarrekening kan eigen vermogen worden gespaard om te zijner tijd de eigenwoningschuld geheel of gedeeltelijk af te lossen. De uitkering uit deze kapitaalverzekering of spaarrekening is onder voorwaarden belastingvrij. Om voor die vrijstelling in aanmerking te komen moet minimaal 15 of 20 jaar lang jaarlijks premie zijn betaald of ingelegd: de tijdklem. Financiën heeft bij beleidsbesluit enkele versoepelingen op deze tijdklem aangebracht, en die worden nu in de wet vastgelegd. Een uitkering uit een kapitaalverzekering of spaarrekening eigen woning kan onbelast worden ontvangen ook al is niet voldaan aan de minimale periode van premiebetaling van 15 of 20 jaar als:
het fiscaal partnerschap wordt beëindigd (zoals bij echtscheiding);
bij schuldhulpverlening;
bij verkoop van de eigenwoning als op dat tijdstip nog steeds of opnieuw een eigen woning ter beschikking staat;
Financiën heeft vastgesteld dat de belastingplichtige niet meer in staat is om de lasten van zijn woning te voldoen of die binnen afzienbare tijd niet meer kan voldoen.
In al deze situaties moet de uitkering op de kapitaalverzekering of spaarrekening wel worden aangewend om de eigenwoningschuld af te lossen.

1080_2015-belastingplan-003.jpgAanslagtermijn bij schenking eigen woning verlengd
Per 1 januari 2017 wordt het weer mogelijk om eenmalig maximaal € 100.000 belastingvrij te schenken voor een eigen woning aan een begiftigde tussen de 18 en 40 jaar. Voor de vrijstelling geldt geen beperking voor een familierelatie; de vrijstelling is niet beperkt tot ouders en kinderen! De nieuwe vrijgestelde schenking kent een gecompliceerd overgangsrecht (waardoor het soms al vereist is om al in 2016 een schenking te doen: zie ook BelastingBelangen van april 2016: Kan ik aanvullend schenken tot € 100.000 in 2017?)
De vrijstelling kan over drie achtereenvolgende kalenderjaren worden benut. In de aangifte schenkbelasting moet een beroep op de vrijstelling worden gedaan. De Belastingdienst kan pas achteraf controleren of de schenking daadwerkelijk en tijdig is aangewend ten behoeve van de eigen woning. En daardoor is de reguliere periode van drie jaar voor het vaststellen van een aanslag schenkbelasting aan de krappe kant. Voorgesteld wordt om deze aanslagtermijn te verlengen naar vijf jaar.



Afschaffing aftrek uitgaven monumentenpanden
Per 1 januari 2017 wordt de aftrek van de kosten van onderhoud van rijksmonumenten afgeschaft. Als de particuliere eigenaar na die datum nog teruggaven of nabetalingen ontvangt die betrekking hebben op uitgaven die hij vóór 2017 in aftrek heeft gebracht, moet hij die als negatieve persoonsgebonden aftrek fiscaal verantwoorden in het jaar van ontvangst.
Het schrappen van deze aftrekpost kan tot financieringsproblemen leiden als een eigenaar van een rijksmonument al vóór 2017 onomkeerbare financiële verplichtingen voor onderhoudsuitgaven is aangegaan. Om dat te voorkomen komt er in 2017 en 2018 een overgangsregeling in de vorm van een subsidieregeling met een budget van € 32 mln. per jaar. Vanaf 2019 wordt datzelfde jaarbedrag structureel ingezet in een nieuw financieringsstelsel voor monumentenzorg. De uitwerking van deze regeling wordt in oktober 2016 per brief aan de Tweede Kamer toegelicht.

Box 3-heffing: de aangepaste vermogensrendementsheffing
De belastingheffing in box 3, de vermogensrendementsheffing, wordt per 1 januari 2017 ingrijpend aangepast. Dit was reeds aangekondigd in het Belastingplan 2016.
1095_2015-05-006.jpgHet heffingvrije vermogen gaat omhoog naar € 25.000 per persoon. Dit geldt voor binnenlandse én buitenlandse belastingplichtigen met een box 3-inkomen in Nederland.
Het forfaitaire rendement wordt vanaf 1 januari 2017 gebaseerd op de landelijk gemiddelde verdeling van het box 3-vermogen over spaargeld én beleggingen. Deze vermogensmix wordt afgeleid uit de belastingaangiften voor box 3 over 2012. De mix zal periodiek worden geëvalueerd om na te gaan of die nog voldoende aansluit bij de realiteit. Over beide vermogenscomponenten – het spaardeel én het beleggingsdeel – wordt een forfaitair rendement gerekend, dat afgeleid wordt uit de in het verleden daadwerkelijk behaalde rendementen. Het rendement op het spaardeel wordt afgeleid uit de gemiddelde rentevergoeding over de voorgaande vijf jaar. Voor 2017 zal dat naar verwachting uitkomen op 1,63%. Het rendement op het beleggingsdeel is het meetkundig gemiddelde over een periode van 15 jaar; voor 2017 is dat berekend op 5,5%
Het box 3-vermogen wordt verdeeld over drie schijven, met een gemiddelde vermogensmix per schijf. Dat leidt tot een oplopend forfaitair rendement, waardoor bij een vermogen boven de € 100.000 de belastingdruk hoger uitkomt dan thans het geval is. De box 3-heffing in 2017 wordt zo voor veel belastingplichtigen duurder: zie de tabel.

Box 3 heffing in 2017
(op basis van de voorlopig vastgestelde rendementen)
Vermogen
meer dan
Vermogen
niet meer dan
Vermogensmix
sparen + beleggen
Forfaitair
rendement
Belastingdruk
         
              0      25.000   Vrijgesteld  
     25.000    100.000 67% + 33% 2,88% 0,86% (thans 1,2%)
   100.000 1.000.000 21% + 79% 4,62% 1,39% (thans 1,2%)
1.000.000           -          100% 5,42% 1,63% (thans 1,2%)


Toerekeningsstop APV: reikwijdte beperkt
Een APV, een Afgescheiden Particulier Vermogen, betreft een veelal buitenlands lichaam, zoal een trust of een stiftung, waarin vermogen is afgezonderd. Voor APV’s geldt dat het ingebrachte vermogen in beginsel fiscaal hetzelfde wordt behandeld als het vermogen dat niet in een APV is ingebracht. Anders gezegd, een APV is voor de belastingheffing transparant: het afgezonderde vermogen wordt fiscaal toegerekend aan de inbrenger.
Deze toerekening vindt voor de heffing van de inkomstenbelasting niet plaats als het APV zelf in de belastingheffing wordt betrokken voor de behaalde winst, mits dat een naar Nederlandse maatstaven reële heffing is van ten minste 10% (over een vergelijkbare heffingsgrondslag). Dit is de zogenaamde toerekeningsstop, een regeling om dubbele belastingheffing te voorkomen.
In de praktijk komen structuren voor waarbij de toerekeningsstop wordt benut om de toerekening aan de inbrenger, de fiscale transparantie, te voorkomen. Dat gebeurt met name door het gebruik van een passieve APV als houdstervennootschap gevestigd in het buitenland, waar (vrijwel) geen winstbelasting wordt geheven. De belastingstelsels in Cyprus, Hongkong, Liechtenstein, Malta en Singapore lenen zich er in het bijzonder voor om op de Nederlandse toerekeningsstop in te spelen. De wetgever vindt dat in strijd met doel en strekking van de APV-wetgeving. Voorgesteld wordt om de toepassing van de toerekeningsstop te beperken tot APV’s die een reële, actieve onderneming drijven. Die beperking gaat gepaard met maatregelen om bij de belastingheffing bij de inbrenger in Nederland rekening te houden met de daadwerkelijk in het buitenland betaalde belasting. Dat leidt tot een uitvoeringstechnisch complexe regeling. Voorgesteld wordt om de maatregel per direct te laten ingaan, op 20 september 2016, 15.15 uur.

Afschaffing aftrek van scholingsuitgaven
De aftrek van scholingsuitgaven, de kosten voor een opleiding of een studie gericht op een (toekomstig) beroep waarvoor geen recht bestaat op studiefinanciering, vervalt per 1 januari 2018. De opbrengst van deze maatregel wordt benut om een uitgavenregeling op te zetten in de vorm van scholingsvouchers voor met name personen die uit zichzelf minder geneigd zijn om scholing te volgen.

Meer kinderopvangtoeslag
In 2017 wordt € 136 miljoen meer beschikbaar gesteld voor de kinderopvangtoeslag. Ouders krijgen voor het eerste kind – dat is het kind met meeste uren kinderopvang, dus niet perse het oudste kind – in de meeste gevallen 2% meer kinderopvangtoeslag. Het gemiddelde percentage voor het tweede kind wordt ook iets verhoogd.
Het voor de kinderopvang terug te ontvangen bedrag is voor het eerste kind minimaal 33,3% en maximaal 94%, voor het tweede kind minimaal 64% en maximaal 95%.

Maatregelen voor de directeur-grootaandeelhouder

Lager gebruikelijk loon voor startups
Directeuren-grootaandeelhouders van startups kunnen vanaf 2017 een lager gebruikelijk loon bij hun BV opnemen. Een DGA moet in beginsel een gebruikelijk loon aanhouden van ten minste € 44.000 (in 2016), maar het kabinet wil voor startups een uitzondering op deze regeling maken. Innovatieve bedrijven in de opstartfase willen vaak maximaal investeren in de ontwikkeling van hun product(en), en de liquiditeiten niet aan salaris spenderen. De DGA van een innovatief bedrijf dat speur- en ontwikkelingswerk verricht en voor de toepassing van de S&O- afdrachtvermindering als starter wordt aangemerkt, kan vanaf 2017 volstaan met een loon gelijk aan het wettelijke minimumloon. Deze regeling is tijdelijk, en vervalt weer per 1 januari 2022 (tenzij deze maatregel voor die datum positief wordt geëvalueerd).

Uitfasering pensioen in eigen beheer
Het wetsvoorstel Uitfasering pensioen in eigen beheer biedt DGA’s de mogelijkheid om hun pensioen in eigen beheer (= PEB) in 2017, 2018 of 2019 tegen de fiscale waarde af te kopen, met een aantrekkelijke korting, of om dat pensioen om te zetten in een oudedagsverplichting.
De DGA kan er ook voor kiezen om zijn PEB-aanspraken te handhaven.
Een verdere opbouw van pensioen in eigen beheer is vanaf 1 januari 2017 niet mogelijk.

De DGA die van zijn PEB af wil, moet allereerst zijn pensioenaanspraken afstempelen van de commerciële naar de fiscale waarde. De fiscale waarde is het bedrag van de pensioenverplichtingen op de fiscale balans. Dat afstempelen kan fiscaal geruisloos plaatsvinden: terzake is geen vennootschapsbelasting, loonbelasting of revisierente verschuldigd. Na het afstempelen moet de DGA een keuze maken tussen afkoop van het PEB, of omzetting in een oudedagsverplichting.

1. Afkoop PEB, met een belastingkorting
De DGA kan zijn PEB afkopen tegen de fiscale waarde, het bedrag van de pensioenverplichtingen op de fiscale balans. Door deze afkoop wordt de BV bevrijd van de pensioenverplichting; de BV krijgt dan de verplichting om de over de afkoop verschuldigde loonbelasting af te dragen en het netto bedrag aan de DGA uit te keren. Naar verwachting zullen veel BV’s niet voldoende liquide middelen hebben om alleen al de verschuldigde loonbelasting te voldoen. Financiën wil graag af van het pensioen in eigen beheer en biedt daarom een aantrekkelijke korting bij de afkoop: in 2017 is 34,5% van de fiscale waarde belastingvrij, in 2018 is de korting 25% en in 2019 19,5%. Let op: deze korting wordt verleend over de fiscale waarde van de PEB per 31 december 2015. Als de pensioenverplichtingen na deze datum zijn toegenomen, kan dat meerdere bedrag ook worden afgekocht maar daarop wordt geen korting verleend.

1193_2016-belastingplan-001.jpgBij afkoop in 2017, 2018 of 2019 is geen revisierente (van 20%) verschuldigd.
Afkoop is ook mogelijk voor al ingegane pensioenen. Een gedeeltelijke afkoop is niet mogelijk.
Bij de afkoop met korting is een gespreide betaling van de verschuldigde loonbelasting niet mogelijk: die belasting moet in één keer worden betaald.
De DGA die (een deel van) zijn pensioen bij een externe verzekeraar heeft ondergebracht, kan dat pensioen via een waardeoverdracht nog in 2016 naar zijn BV overbrengen, en dat in 2017, 2018 of 2019 afkopen. Bij de afkoop van dit ‘teruggehaald pensioen’ wordt geen belastingkorting verleend; er is geen revisierente verschuldigd.
Staatsecretaris Wiebes van Financiën verwacht dat veel DGA’s de afkoopregeling gaan benutten en dat er daardoor in 2017 zo’n € 2 miljard extra aan loonbelasting in de schatkist zal rollen.

2. Omzetting PEB in de spaarvariant oudedagsverplichting
De DGA kan zijn afgestempelde pensioenaanspraak ook omzetten in een spaarvariant, de oudedagsverplichting (ODV). Bij deze optie blijft het pensioenkapitaal beschikbaar voor de bedrijfsactiviteiten en worden de oudedagsuitkeringen te zijner tijd in de belastingheffing betrokken. Een verdere opbouw van het PEB vanaf 1 januari 2017 is niet mogelijk. Het opgebouwde spaarsaldo, dat is de fiscale waarde van de pensioenverplichting per het tijdstip van de omzetting, wordt jaarlijks opgerent met de marktrente (het U-rendement). De DGA kan het spaarsaldo op elk gewenst moment bij de BV opeisen om extern, bij een professionele verzekeraar een lijfrenteproduct te bedingen. Doet hij dat niet, dan moet het spaarsaldo op de pensioendatum worden gebruikt voor de aankoop van een periodieke uitkering, een lijfrente, bij een bank of een verzekeraar. De BV kan die oudedagsuitkeringen ook zelf doen: het spaarsaldo moet dan vanaf de AOW-gerechtigde leeftijd van de DGA in ten minste 20 jaar gelijkmatig worden afgebouwd/uitgekeerd.
De DGA die voor omzetting kiest, kan uiterlijk in 2019 nog overgaan tot afkoop van het PEB.
Omzetting in de spaarvariant ODV is mogelijk in 2017, 2018 of uiterlijk in 2019.
Uitstel van die keus kan aantrekkelijk zijn, omdat de pensioenverplichting tot de omzetting tegen 4% wordt opgerent, en dat percentage is hoger dan het oprentingspercentage (het U-rendement) voor de spaarvariant.

3.   Handhaving PEB
De DGA kan er voor kiezen om ‘niets te doen’, het pensioen in eigen beheer te handhaven. Het PEB moet dan wel premievrij worden gemaakt, een verdere opbouw is vanaf 1 januari 2017 niet mogelijk. Het huidige regime van pensioen in eigen beheer blijft onverkort van toepassing, mét de dividendklem wegens het verschil tussen de commerciële en de fiscale waarde van de pensioenverplichting. Bij deze optie blijft het pensioenkapitaal beschikbaar voor de bedrijfsactiviteiten en worden de pensioenuitkeringen na de pensioeningangsdatum in de belastingheffing betrokken.

Bij afkoop of omzetting van het PEB moet de partner of ex-partner van de DGA instemmen met die keus. Die instemming moet blijken uit de door de (ex-)partner mede ondertekende formulieren tot afkoop of omzetting van het PEB. Die goedkeuring is noodzakelijk omdat de pensioenaanspraken van de (ex-)partner door de afkoop of omzetting – kunnen – worden aangetast. Het verkrijgen van de instemming van een ex-partner kan er toe leiden dat die ex-partner gecompenseerd wil worden voor pensioenverlies. Hierbij kan een andere dan evenredige verdeling van de pensioenaanspraken worden overeengekomen zonder dat terzake schenkbelasting verschuldigd is.

Als de aandelen van de BV die de pensioenverplichting in eigen beheer houdt, niet meer in handen zijn van de pensioengerechtigde zelf, maar die aandelen zijn overgegaan naar bijvoorbeeld zijn kinderen, leidt de afkoop van het PEB – volgens Financiën – tot een schenking van de pensioengerechtigde aan de aandeelhouders van de BV.

Geen BOR bij indirecte aandelenbelangen van minder dan 5%
539_2011-02-014.jpgDe Hoge Raad heeft in april 2016 beslist dat de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) in de Successiewet – die onder meer een substantiële vrijstelling biedt bij het schenken of vererven van ondernemingsvermogen – ook van toepassing kan zijn op een indirect belang van minder dan 5% in een actieve vennootschap. Dit is bijvoorbeeld het geval als een houdstervennootschap deelnemingen houdt van meer dan 5% én een of meer participaties van minder dan 5%, en die laatstgenoemde participaties goed passen binnen de ondernemingsactiviteiten van de houdstervennootschap en daardoor als bedrijfsmiddel moeten worden aangemerkt. Door deze uitspraak kan de aandeelhouder via zijn houdstervennootschap ook beleggingsvermogen – het indirecte belang van minder dan 5% – onder de BOR brengen.
Financiën vindt dat ongewenst: directe én indirect gehouden belangen van minder dan 5% kwalificeren niet voor de BOR. Het ‘lek’ dat het arrest van de Hoge Raad heeft veroorzaakt wordt gerepareerd. Deze wetswijziging werkt door naar de doorschuifregelingen voor de inkomstenbelasting. De nieuwe regeling gaat in per 1 juli 2016, 0.00 uur, het tijdstip waarop Financiën deze wijziging bij persbericht heeft aangekondigd.

Van BV naar VBI: afrekenen aanmerkelijkbelang-claim
De vrijgestelde beleggingsinstelling – VBI – biedt de mogelijkheid om in een NV belastingvrij, zonder heffing van vennootschapsbelasting, te beleggen. Voor ondernemers met een BV, voor directeuren-grootaandeelhouders, kan het voordelig zijn om het overtollige vermogen uit een BV af te splitsen naar een VBI om dat vermogen voortaan vrij van vennootschapsbelasting te laten renderen. Dit afsplitsen kan fiscaal geruisloos: de aanmerkelijkbelang-claim op de meerwaarde van de aandelen in de BV kan ‘doorgeschoven’ worden naar het VBI-regime. Dat gaat veranderen: voortaan moet de (positieve) aanmerkelijkbelang-claim direct afgerekend worden als de BV de VBI-status verkrijgt. Deze maatregel treedt per direct in werking, per 20 september 2016, om 15.15 uur, om anticipatie op deze maatregel te voorkomen.
Het forfaitaire rendement uit een VBI wordt per 1 januari 2017 verhoogd van 4% naar 5,5%. Het rendement wordt gekoppeld aan het percentage van de hoogste schijf van de box 3-heffing.

Aanpak flits-VBI
Een belastingplichtige kan de vermogensrendementsheffing, de box 3 heffing, vermijden door dat vermogen in een BV onder te brengen. Dat kan zeer voordelig uitpakken. Als het vermogen op een spaarrekening is gestald tegen een rente van 0,5% loopt de belastingdruk in box 3 op tot 240%; dezelfde spaarrekening leidt in een BV tot een belastingdruk van slechts 20% (aan vennootschapsbelasting; de aanmerkelijkbelang-heffing in box 2 is niet aan de orde omdat het ingebrachte vermogen – het bedrag van de spaarrekening – weer belastingvrij uit de BV kan worden gehaald).
1199_2016-belastingplan-007.jpgDeze boxhop pakt nog voordeliger uit als het box 3-vermogen tijdelijk wordt ondergebracht in een zogenaamde flits-VBI. Als een particulier zijn box 3-vermogen tegen het einde van het jaar onderbrengt in een VBI, en dat vermogen vervolgens in het begin van het tweede daaropvolgende jaar weer terughaalt naar box 3, wordt de (forfaitaire) opbrengst van dat vermogen (van thans nog 4%) gedurende iets meer dan één jaar bij hem belast in box 2, tegen het aanmerkelijkbelang-tarief. De VBI is over het behaalde rendement op het vermogen geen vennootschapsbelasting verschuldigd, en de particulier wordt over dat vermogen twee jaar lang niet in box 3 belast. In die periode valt twee keer de datum 1 januari, de peildatum voor de box-3 heffing. Met deze opzet kan bijna 50% van het rendement op het vermogen onbelast blijven.
Dat gaat veranderen. In de geschetste situatie wordt het vermogen zowel in box 2 als in box 3 belast als het vermogen binnen 18 maanden weer terugkomt naar box 3. Dat geldt ook als het vermogen in een buitenlands beleggingslichaam is ondergebracht. De belastingplichtige krijgt een meldingsplicht opgelegd: hij moet uit eigen beweging de inspecteur informeren dat het vermogen binnen de termijn van 18 maanden weer naar box 3 is teruggegaan. Er komt een tegenbewijsregel: de belastingplichtige kan de dubbele belastingheffing vermijden als hij aannemelijk kan maken dat er een zakelijke reden was om het vermogen binnen achttien maanden weer terug te halen naar box 3.

Maatregelen voor ondernemers

Verlenging eerste tariefschijf vennootschapsbelasting
De eerste tariefschijf van de vennootschapsbelasting van 20% wordt per 1 januari 2018 verlengd van € 200.000 naar € 250.000. In 2020 wordt deze tariefschrijf verder verlengd naar € 300.000 en in 2021 naar € 350.000.

Renteaftrekbeperkingen
De Wet op de vennootschapsbelasting kent meerdere renteaftrekbeperkingen. De wetgever heeft die ingevoerd om te voorkomen dat de grondslag voor de belastingheffing door renteaftrek kan worden uitgehold. In het Belastingplan 2017 wordt voorgesteld om de renteaftrekbeperking aan te scherpen.

1.  Aanscherping renteaftrek overnameholding
Voor een overnameholding geldt een renteaftrekbeperking om een excessieve schuldfinanciering bij het overnemen van de aandelen in een BV te ontmoedigen. De wetgever wil voorkomen dat de rente op de financiering door voeging van de overgenomen vennootschap in een fiscale eenheid in mindering kan worden gebracht op de winst van de overgenomen vennootschap. De renteaftrekbeperking is slechts van toepassing bij een financieringsrente van meer dan € 1 mln..
Deze renteaftrekbeperking wordt op drie punten aangescherpt:
•  ‘Debt-push-down’
Als de overnameholding de financiering van de overgenomen vennootschap door middel van een debt-push-down verplaatst naar het niveau van de overgenomen vennootschap (binnen de fiscale eenheid) wordt de zelfstandig berekende winst van de overgenomen vennootschap gecorrigeerd voor de ‘verschoven’ rente.
•  Afbouw zevenjaarstermijn bij financiering
De wetsbepaling voor de overnameholding kent een termijn van zeven jaar om de financiering bij de overname af te bouwen van ten hoogste 60% van de kostprijs van de aandelen in de overgenomen vennootschap tot ten hoogste 25% van die kostprijs. Er is dan geen sprake van excessieve schuldfinanciering. Die bepaling wordt aangescherpt, om te voorkomen dat de termijn van zeven jaar voor de afbouw van de maximale niet bovenmatige financiering telkens opnieuw gaat lopen als de overgenomen vennootschap onder een nieuwe overnameholding wordt gehangen.
•  Vervallen overgangsrecht
Voor overnamestructuren die tot stand zijn gebracht voor 15 november 2011 geldt eerbiedigend overgangsrecht. Voorgesteld wordt om dat niet meer van toepassing te laten zijn als de overnameholding op of na 1 januari 2017 in een nieuwe fiscale eenheid met een andere moedermaatschappij wordt opgenomen. Hiermee wordt voorkomen dat bij een nieuwe overname de oude financieringen onder het overgangsrecht blijven meelopen waardoor de overnameholdingbepaling in zoverre buiten toepassing blijft.

2.  Samenwerkende groep als verbonden lichaam

1197_2016-belastingplan-005.jpgDe renteaftrekbeperking in de vennootschapsbelasting in het kader van overnames is uitsluitend van toepassing op een lening die verstrekt is door een ‘verbonden lichaam’. De wet definieert die verbondenheid op ‘een belang voor ten minste een derde gedeelte’. Voor de verbondenheid geldt een objectief criterium: het (een derde) belang moet aan de hand van de feiten en omstandigheden van het individuele geval worden beoordeeld. Per 1 januari 2017 wordt deze regeling uitgebreid en is van verbondenheid ook sprake bij aanwezigheid van een samenwerkende groep. Denk aan een joint venture, of een gezamenlijke investering door vier of meer leden van dezelfde familie. Of er sprake is van zo’n groep is afhankelijk van de feiten en omstandigheden in het concrete geval. In algemene zin is daarbij relevant of de investering in de overgenomen vennootschap en daarbij behorende financiering gecoördineerd plaatsvindt. Die samenwerking zal af te leiden zijn uit de onderlinge afspraken tussen de betrokken partijen.

Deze wijzigingen in de renteaftrekbeperking zijn van toepassing op boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2017. Deze wijzigingen kunnen weer teniet worden gedaan als een algemene renteaftrek wordt ingevoerd, zoals die is aangenomen in de Anti Tax Avoidance Directive, de ‘earnings-strippingmaatregel’. De renteaftrek kan dan niet meer zijn dan een bepaald percentage van de winst. Het kabinet zal op een later tijdstip beoordelen of de huidige renteaftrekbeperkingen in stand kunnen blijven.

Aanpassing S&O-verklaring
De speur- en ontwikkelingsregeling, de loonafdrachtvermindering voor innovatieve ondernemers, wordt op twee punten versoepeld:
het eindheffingsloon wordt uitgesloten voor de bepaling van het gemiddelde uurloon. Dat is thans ook al de praktijk omdat het gemiddelde uurloon wordt vastgesteld aan de hand van de loongegevens van het UWV, en daarin is dat eindheffingsloon niet begrepen.
de boete bij het niet tijdig meedelen van de werkelijk gerealiseerde S&O-uren wordt gemaximeerd op € 2.500 ingeval van een administratieve misser. Bij grove nalatigheid of fraude blijft de huidige boeteregeling gelden.

Innovatiebox
De OESO en de Europese Unie zijn kritisch op fiscale gunstregimes. De innovatiebox is zo’n gunstregime. Alle landen moeten hun gunstregimes aanpassen. Voor Nederland betekent dit dat bedrijven aan extra eisen moeten voldoen om in aanmerking te komen voor de innovatiebox. Hierbij is ook van belang dat het kabinet de innovatiebox alleen wil verlenen aan ondernemingen die met een substantiële economische aanwezigheid innovatieve activiteiten in Nederland ontplooien.
De belastingplichtige die vanaf 1 januari 2017 een beroep wil doen op de innovatiebox moet een S&O-verklaring (speur- en ontwikkelingsverklaring) bezitten. De S&O-verklaring is noodzakelijk voor het verminderen van de loonkosten voor innovatieprojecten. Deze verklaring wordt het centrale toegangsticket voor de innovatiebox. Voor ondernemers die gemiddeld over vijf jaar bezien een netto groepsomzet hebben van meer dan € 50 mln. per jaar, of bruto-voordelen behalen uit innovatieve activa van meer dan € 7,5 mln. per jaar kan de innovatiebox alleen worden toegepast als die ondernemers naast de S&O-verklaring ook beschikken over een van de navolgende toegangstickets:
voor het betreffende activum is een octrooi verleend of aangevraagd (die aanvraag is een belangrijke verruiming ten opzichte van de huidige regeling!)
voor het betreffende activum is een naar zijn aard met een octrooi vergelijkbare utility-model, een kwekersrecht, weesgeneesmiddel of aanvullend beschermingscertificaat afgegeven of aangevraagd;
het activum heeft de vorm van een programmatuur;
het betreft een overig activum dat niet voor de hand ligt en nieuw en nuttig is. Dit toegangsticket is beperkt tot ondernemingen met een wereldwijde nettogroepsomzet van maximaal € 50 miljoen per jaar en brutovoordelen uit intellectueel eigendom van maximaal € 7,5 miljoen per jaar.
1196_2016-belastingplan-004.jpgEen immaterieel activum kan ook kwalificeren voor de innovatiebox als er nog geen sprake is van een definitief octrooi of kwekersrecht, maar wel een aanvraag hiertoe is ingediend. Tijdens zo’n aanvraagperiode geldt reeds juridische bescherming voor het immateriële activum, en het kan ook al winst opleveren. Maar de innovatiebox kan uitsluitend worden toegepast als het octrooi of kwekersrecht ook daadwerkelijk wordt verleend en aan de overige voorwaarden is voldaan. Om die reden is dan ook een regeling opgenomen op grond waarvan het onterecht genoten voordeel wordt teruggenomen als blijkt dat de aanvraag voor het octrooi etc. is afgewezen.

De nexusbenadering geldt als aanvullend substance-criterium. Deze benadering houdt grofweg gezegd is dat een deel van de voordelen uit de immateriële activa niet kwalificeert voor de innovatiebox als de onderneming haar speur- en ontwikkelingswerk binnen het concern uitbesteedt. De voordelen waarop de innovatiebox kan worden toegepast – de kwalificerende voordelen – worden berekend door de kwalificerende uitgaven voor het voortbrengen van het immaterieel activum met de factor 1,3 te vermenigvuldigen en vervolgens te delen door de totale uitgaven voor het kwalificerende activum. Daarbij zijn uitgaven voor outsourcing aan verbonden lichamen geen kwalificerende uitgaven.
Naast deze nexusbenadering worden er diverse bepalingen opgenomen om te voorkomen dat belasting wordt ontweken door het overdragen van immateriële activa naar een concernvennootschap in een ander land. Ook als een onderneming een immaterieel activum verkrijgt en door ontwikkelt, kwalificeert het aangekochte activum niet voor de innovatiebox. In het wetsvoorstel zijn ook enkele aanvullende administratieve verplichtingen opgenomen voor belastingplichtigen die een beroep willen doen op de innovatiebox.
De wijzigingen in de innovatiebox zijn van toepassing op boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2017. Er gaat overgangsrecht gelden voor immateriële activa die uiterlijk op 30 juni 2016 zijn voortgebracht en waarbij uiterlijk in dat boekjaar is gekozen voor toepassing van de innovatiebox. Het oude regime blijft dan tot uiterlijk 30 juni 2021 van toepassing.
Alle bestaande vaststellingsovereenkomsten (VSO’s) met afspraken over toepassing van de huidige innovatiebox komen te vervallen.

Inhoudingsvrijstelling dividenden vrijgestelde lichamen
Aandeelhouders die een dividend ontvangen kunnen de door de uitkerende vennootschap ingehouden dividendbelasting verrekenen met de verschuldigde belasting. Die verrekening is uiteraard niet mogelijk als de aandeelhouder niet onderworpen is aan de belastingheffing. Denk aan pensioenfondsen, zorginstellingen en delen van een overheidsonderneming. Deze ‘lichamen’ kunnen de ingehouden dividendbelasting terugvragen bij de Belastingdienst. Deze teruggaaf leidt tot administratieve lasten, en om die te voorkomen wordt een inhoudingsvrijstelling voor de dividendbelasting geïntroduceerd, voor aandeelhouders / lichamen die niet aan de heffing van vennootschapsbelasting zijn onderworpen.

Teruggaaf dividendbelasting voor niet-ingezetenen
Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in enkele uitspraken de teruggaaf van Nederlandse dividendbelasting voor buitenlandse aandeelhouders bekritiseerd. De Hoge Raad heeft die uitspraken bevestigd. Financiën heeft de teruggaafprocedure bij besluit versoepeld, en dat besluit wordt nu in de wet vastgelegd. Buitenlandse aandeelhouders met Nederlandse aandelen kunnen verzoeken om een teruggaaf van de op de ontvangen dividenden ingehouden dividendbelasting. Vereist is dan wel dat de aandeelhouder aantoont dat de ingehouden dividendbelasting hoger is dan de inkomsten- of vennootschapsbelasting die hij als inwoner van Nederland verschuldigd zou zijn geweest. De teruggaaf vindt uitsluitend plaats als de buitenlandse aandeelhouder de uiteindelijke gerechtigde tot de opbrengst is.

Aanpassing termijn bij opteren belastingplicht vennootschapsbelasting
Verenigingen en stichtingen die niet meer belastbare winst maken dan € 15.000 per jaar of € 75.000 per vijf jaar zijn vrijgesteld van vennootschapsbelasting. Soms kan het voor zo’n vereniging of stichting wenselijk zijn om af te zien van de vrijstelling, met name als er fiscaal compensabele verliezen kunnen worden opgebouwd. Het verzoek tot het achterwege laten van de vrijstelling moet thans binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar worden ingediend. Deze termijn wordt verlengd tot het tijdstip waarop de aangifte vennootschapsbelasting moet worden ingediend.

Maatregelen voor werkgevers - werknemers

Commissaris: einde dienstbetrekking
De fictieve dienstbetrekking voor commissarissen vervalt per 1 januari 2017. De onderneming waar een commissaris werkzaam is hoeft niet langer loonheffing in te houden op de beloning van de commissaris en ook geen inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet te betalen. De commissaris kan uit de loonadministratie worden afgevoerd. De onderneming moet nog wel één keer per jaar de beloning van de commissaris aan de Belastingdienst doorgeven.

Afschaffen jaarloonuitvraag
Per 1 januari 2017 komt de jaarloonuitvraag te vervallen.
De Belastingdienst kan bij ontbrekende of onjuiste aangiftegegevens na afloop van het kalenderjaar bij de werkgever de jaarloongegevens van zijn werknemers opvragen: de jaarloonuitvraag. Sinds de invoering per 2006 zijn veel verbeteringen doorgevoerd in de loonaangifteketen, zowel bij werkgevers als bij de Belastingdienst en het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV). Daarmee is de tijdigheid en volledigheid van de loonaangiftegegevens geborgd; de jaarloonuitvraag biedt volgens de Belastingdienst en het UWV geen toegevoegde waarde meer.

Loonkostenvoordeel (LIV)
Werkgevers die werknemers met een relatief laag loon (LIV’s) in dienst hebben krijgen vanaf 1 januari 2017 een loonkostenvoordeel. Vereist is dan wel dat sprake is van een baan van ten minste 1.248 uur op jaarbasis. In 2017 is een samenloop mogelijk tussen de huidige premiekortingen en het LIV. Voor de LIV-korting: zie de tabel

Doelgroep Huidige
premiekorting
Nieuwe
maximum tegemoetkoming
100 - 110% Wet minimumloon (LIV) - € 2.000
110 - 120% Wet minimumloon (LIV) - € 1.000
Ouderen 56+ € 7.000 € 6.000
Arbeidsgehandicapten € 7.000 € 6.000
Banenafspraak divers € 2.000

Verlegging inhoudingsplicht concernonderdelen
Een concern met vestigingen in het buitenland en in Nederland kan de inhoudingsplicht voor de loonbelasting van het buitenlandse concernonderdeel – onder voorwaarden – verleggen naar het in Nederland gevestigde concernonderdeel.
Een buitenlands concernonderdeel is inhoudingsplichtig in Nederland als zij hier te lande een vaste inrichting of een vaste vertegenwoordiger heeft. Die inhoudingsplicht kan ook ontstaan als dat buitenlands concernonderdeel een of meer personen in dienst heeft die zijn onderworpen aan de Nederlandse inkomstenbelasting.
De mogelijkheden tot het verleggen van de inhoudingsplicht worden verruimd door de voorwaarde te laten vervallen dat er sprake moet zijn van bemiddeling bij de tewerkstelling van personeel. Het verleggen van de inhoudingsplicht vergt een gezamenlijk verzoek van beide concernonderdelen.

Heffing beloningen buitenlandse bestuurders en commissarissen
De beloning van buitenlandse bestuurders en commissarissen van een vennootschap zijn in de regel belast in het land waar die vennootschap is gevestigd. Dat is de standaardregeling in belastingverdragen. Onze belastingwetgeving is op dit punt niet waterdicht. Dit wordt gerepareerd. Per 1 januari 2017 wordt in de wet vastgelegd dat de beloning van een buitenlands belastingplichtige bestuurder of commissaris van een in Nederland gevestigde vennootschap belast is voor de inkomstenbelasting, ongeacht of er sprake is van winst uit onderneming, loon of resultaat uit overige werkzaamheden. Financiën wil zeker stellen dat
het in de belastingverdragen aan Nederland toegewezen heffingsrecht op beloningen van buitenlandse bestuurders en commissarissen in alle gevallen geëffectueerd kan worden.

Fiscale pensioenmaatregelen
1. Geen actuariële herrekening per ingangsdatum
De belastingwet bepaalt dat het ouderdomspensioen ingaat op de dag van de 67e verjaardag. In veel pensioenregelingen is opgenomen dat het ouderdomspensioen al wat eerder ingaat, namelijk op de eerste dag van de maand waarin men 67 wordt. Formeel moet het pensioen dan actuarieel herrekend worden; het pensioen wordt wat lager omdat het eerder ingaat. Deze verplichte herrekening vervalt per 2017, om praktische redenen.

2. De 100% toets vervalt
Het pensioen mag niet meer bedragen dan 100% van het laatstverdiende loon. Deze regel kan tot complexe toepassingen leiden. Voorgesteld wordt de 100%-toets uit de wet te halen, ook al omdat pensioenopbouw van meer dan 100% van het laatstverdiende loon uitzonderlijk is.

3. Doorwerkvereiste bij uitstel pensioen vervalt
Een werknemer kan de ingangsdatum van zijn pensioenuitkeringen uitstellen, tot uiterlijk vijf jaar na het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd. Voorwaarde voor dat uitstel is dat de werknemer blijft doorwerken, en de pensioenuitvoerder moet dat regelmatig checken. Om de daaraan verbonden administratieve lasten weg te nemen komt het doorwerkvereiste per 2017 te vervallen.

De auto

1195_2016-belastingplan-003.jpgBijtelling privégebruik auto
De autobelastingen wijzigen volgend jaar op een aantal punten. Het kabinet heeft die aanpassingen al eerder bekend gemaakt, bij de Autobrief II.
Per 1 januari 2017 zijn er nog drie percentagens voor de bijtelling privégebruik auto: 4% voor elektrische auto’s (nul emissie auto’s), 22% voor andere auto’s tot en met 14 jaar oud, en 35% voor auto’s van 15 jaar en ouder. Voor elektrische auto’s geldt vanaf 2019 het standaardtarief van 22% ook voor de cataloguswaarde boven de € 50.000 (de Tesla-tax).
Bij aanschaf van een hybride auto nog dit jaar geldt een bijtelling van 15% of 21% (bij een CO2-uitstoot tot 50 gram of van 50 tot 106 gram per kilometer). Die lagere bijtelling kan worden benut gedurende de overgangsperiode van vijf jaar. Bij aanschaf in 2016 van een auto met een CO2-uitstoot van meer dan 106 gram per kilometer geldt de 25% bijtelling; per 2017 gaat die omlaag naar 22%. Deze beperking van de lagere bijtelling tot nieuwe auto’s zal binnenkort in een proefprocedure worden bestreden.

Motorrijtuigenbelasting
De MRB-tarieven gaan per 1 januari 2017 met 2% omlaag. Elektrische auto zijn nog tot en met 2020 vrijgesteld van MRB, plug-in hybrids houden tot 2020 recht op het halftarief. De kilocorrectie voor plug-in hybrids (een gewichtsreductie van 125 kilogram) vervalt per 1-1-2017.

BPM
Het basisbedrag van de Belasting van Personenauto’s en Motorrijwielen gaat per 2017 omhoog van € 175 naar € 350. Elektrische auto’s blijven BPM-vrij tot en met 2020, voor plug-in hybrids komt een aparte BPM-tabel. De BPM wordt vanaf 2017 afgebouwd; de tarieven gaan daardoor wat omlaag.

Energiebelasting op laadpalen
Om de overgang naar het elektrisch rijden te stimuleren is de aanwezigheid van een openbare laadpaalstructuur van groot belang. Om de exploitatie van openbare laadpalen te bevorderen wordt het tarief van de energiebelasting op hun leveringen tijdelijk verlaagd. Het tarief over de eerste 10.000 kWh wordt verlaagd van 10,07 naar 4,996 cent per kWh. Het voordeel bedraagt circa 1 à 2 euro per volle accu. Deze verlaging geldt voor 2017 tot en met 2020. De maatregel kan pas in werking treden als die door de Europese Commissie is goedgekeurd.

Omzetbelasting

BTW-teruggaaf op oninbare vorderingen
De teruggaaf van BTW (en energiebelasting, afvalstoffenbelasting en belasting op leidingwater) op oninbare vorderingen wordt sterk vereenvoudigd. Het recht op teruggaaf ontstaat op het tijdstip dat de oninbaarheid van de vordering kan worden vastgesteld, en vanaf 1 januari 2017 is dat in ieder geval zo als de afnemer na één jaar (nadat de vordering opeisbaar is geworden) nog niet betaald heeft. De ondernemer hoeft ook geen afzonderlijk teruggaafverzoek meer in te dienen: het oninbare BTW-bedrag kan in de BTW-aangifte in mindering worden gebracht op de periodiek af te dragen omzetbelasting.
De termijn van één jaar gaat ook gelden in de omgekeerde situatie, voor de ondernemer die de hem in rekening gebrachte BTW als voorbelasting in aftrek heeft gebracht en de factuur niet heeft betaald. De ondernemer moet de in aftrek gebrachte BTW weer afdragen. Voor die afdracht geldt thans een fictie van twee jaar, en die wordt teruggebracht tot één jaar.
Voor deze aanpassingen geldt geen overgangsrecht: de nieuwe regels zijn onverkort van toepassing op alle onbetaalde vergoedingen per 1 januari 2017, ook als die vergoeding al vóór die datum opeisbaar is geworden.

1167_2016-03-007.jpg
BTW-vrijstelling watersportorganisaties
Watersportorganisaties die geen winst beogen vallen onder de BTW-sportvrijstelling voor hun diensten ten behoeve van de watersport. Deze vrijstelling wordt verruimd voor de niet-winstbeogende watersportorganisaties die personeel in dienst hebben voor het verrichten van werkzaamheden aan vaartuigen én voor het ter beschikking stellen van lig- en bergplaatsen voor vaartuigen. Tegenover deze verruiming staat een beperking: de vrijstelling vervalt voor het ter beschikking stellen van lig- en bergplaatsen voor vaartuigen die gelet op hun objectieve kenmerken niet geschikt zijn voor sportbeoefening, maar recreatief worden gebruikt.

Bouwterrein: naar een ruime uitleg
De uitleg van het begrip ‘bouwterrein’ is van belang voor de samenloopregeling van de omzet- en overdrachtsbelasting. Bij levering van een ‘bouwterrein’ is omzetbelasting verschuldigd (die de koper als voorbelasting in aftrek kan brengen), en daardoor is die levering vrijgesteld van (de kostprijsverhogende) overdrachtsbelasting.
Het begrip ‘bouwterrein’ wordt voor de omzetbelasting nader gedefinieerd naar aanleiding van een uitspraak van het Europese Hof van Justitie. Het Nederlandse wettelijke begrip ‘bouwterrein’ kent diverse limitatieve vereisten, het Europese Hof komt tot een veel ruimere uitleg. Vanaf 2017 geldt als bouwterrein ‘onbebouwde grond die kennelijk bestemd is om te worden bebouwd met een of meer gebouwen’. Daarbij spelen de intenties van partijen een belangrijke rol, mits die met objectieve gegevens kunnen worden onderbouwd. Zo is ook sprake van een ‘bouwterrein’ als de leverancier grond levert waarop nog een gebouw staat maar waarbij hij zich verplicht heeft om dat gebouw in het kader van de levering volledig te slopen. Een bouwondernemer of projectontwikkelaar heeft vanaf 2017 niet meer de keuze tussen het beperkte of ruime begrip ‘bouwterrein’, en dat kan nadelig uitpakken.

Diversen

Invordering belastingen en toeslagen
De invordering van belastingen en toeslagen verloopt onder de huidige wetgeving niet gelijk. Dat leidt tot knelpunten: bij de verrekening van toeslagen met belastingen, én bij het verlenen van uitstel van betaling. Het kabinet wil deze knelpunten wegnemen en de invordering van belastingen en toeslagen in de toekomst bij één instantie leggen, bij de ontvanger van de Belastingdienst.
Voor de invordering van belasting- en toeslagschulden van particulieren en toeslagschulden van ondernemers komt er een debiteurgerichte betalingsregeling. Die omvat:

een standaardregeling om de openstaande belasting- en toeslagschuld in maximaal 12 maanden volledig af te lossen. Bij deze regeling zijn de betalingscapaciteit en vermogenspositie niet van belang; of
een maatwerkregeling om de openstaande belasting- en toeslagschuld in maximaal 24 maanden volledig af te lossen. Betalingscapaciteit en vermogenspositie tellen hierbij wel mee; een eventuele restschuld wordt kwijtgescholden.
De termijnbedragen moeten verplicht via automatische incasso worden betaald. Een verzoek om een betalingsregeling kan telefonisch, schriftelijk of digitaal. Deze wijzigingen zullen naar verwachting per 1 januari 2019 in werking treden.  

1194_2016-belastingplan-002.jpg 
Terug naar boven

Privacy

Deze website maakt gebruik
van cookies. Meer informatie