Vraagtekens

Belastingplan 2019: Sociale vlaktaks: 0,263% voordeel

22 oktober 2018

Het tarief van de inkomstenbelasting in box 1 wordt in twee jaar zodanig aangepast dat we per 2021 nog slechts twee tariefschrijven hebben: de eerste schijf met een basistarief van 37,05% voor een belastbaar inkomen tot € 68.507, en de tweede schijf met een toptarief van 49,5% voor een inkomen vanaf € 68.507. Deze tariefverlaging moet alle belastingplichtigen in 2021 een lastenverlichting opleveren van zo’n € 6 miljard, zo wil het kabinet ons doen geloven. De werkelijkheid is anders. Door een steilere afbouw van de algemene heffingskorting én de arbeidskorting is het voordeel van de tariefaanpassing in de eerste schijf – waar 93% van de belastingplichtigen onder valt – beperkt tot 0,263%!

Het kabinet introduceert in het Belastingplan 2019 een sociale vlaktaks voor de heffing van inkomstenbelasting in box 1, met een basistarief van 37,05% en een toptarief van 49,5%. Dat tweeschijventarief wordt in twee jaar tot stand gebracht volgens onderstaande tabel:

Tarief 2018 2019 2020 2021
         
1e schijf (tot € 21.167) 36,55% 36,65% 37,05% 37,05%
2e schijf (tot € 35.286) 40,85% 38,10% 37,08% 37,05%
3schijf (tot € 68.507) 40,85% 38,10% 37,08% 37.05%
         
meer dan € 68.507 51,95% 51,75% 50,50% 49,50%

1406_2018-belastingplan-001.jpgDe knip tussen de eerste en tweede schijf op € 68.507 wordt ‘bevroren’ tot 2025. Door zo’n vaste schijfgrens valt een belastingplichtige met een (inflatoir) oplopend inkomen eerder in de schijf met het toptarief. De basisschijf valt in tweeën uiteen: in deze schijf wordt tot € 35.286 premies volksverzekering geheven van 27,65%, het belastingpercentage is 9,4%, tesamen 37,05%. Strikt genomen kent de sociale vlaktaks dus drie schijven.
Volgens Financiën valt zo’n 7% van alle belastingplichtigen onder het toptarief van 49,5%: zij kunnen rekenen op een tariefverlaging van 2,45% (51,95% -/- 49,5%). Voor de veel grotere groep onder het basistarief is het tariefvoordeel groter, namelijk 3,8% (40,85% -/- 37,05%). Maar dit tariefvoordeel wordt vrijwel volledig geneutraliseerd door de steilere afbouw van de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Beide heffingskortingen zijn inkomensafhankelijk: hoe hoger het inkomen, des te minder korting. De algemene heffingskorting is nihil bij een inkomen van € 68.507, de arbeidskorting is nihil bij een inkomen van iets meer dan € 100.000. De steilere afbouw van deze heffingskortingen kost een belastingplichtige 3,537%. Van het tariefvoordeel van 3,8% blijft zo 0,263% over!
De afbouw van de heffingskortingen heeft voor belastingplichtigen in het toptarief tot gevolg dat hun marginale belastingtarief niet 49,5%, maar circa 55% bedraagt.

Commentaar
Het nieuwe schijventarief maakt het erg lastig om het effectieve belastingtarief te berekenen voor de diverse belastbare inkomens. Met de premieheffing volksverzekering (waarom worden die niet gefiscaliseerd?), de afbouw van diverse heffingskortingen, de gefaseerde tariefaanpassing én de afbouw van het aftrektarief voor aftrekposten is al lang niet meer inzichtelijk waar de belastingdruk op uitkomt. Voor de grote groep belastingplichtigen die onder het basistarief vallen is het effectieve resultaat van de nieuwe tariefstructuur verwaarloosbaar. Een tariefvoordeel van 0,263% rechtvaardigt niet zo’n ingrijpende operatie.
Terug naar boven

Privacy

Deze website maakt gebruik
van cookies. Meer informatie