Vraagtekens

Belastingschulden: uitstel van betaling, kwijtschelden of saneren

31 oktober 2011

De ontvanger is binnen de Belastingdienst een machtige autoriteit. Hij moet de inning van de rijksbelastingen bewaken. Als een belastingschuldige zijn aanslag niet of niet op tijd betaalt, heeft de ontvanger – naast de invorderingsmogelijkheden die elke schuldeiser heeft – enkele specifieke bevoegdheden om de contribuabelen te doen betalen.
Ondernemers die hun (zakelijke) belastingschulden niet of niet op tijd kunnen betalen, moeten bij de ontvanger langs. Met hun adviseur. Dat is geen gezellig gesprek. Zij moeten gaan vragen om uitstel van betaling, een sanering of om een kwijtschelding van de belastingschuld. In deze special een overzicht van het beleid van de ontvanger in deze zaken.

De positie van de ontvanger

628_2011-10-015.jpgFiscale vorderingen hebben een hoge preferentie. Als er meerdere schuldeisers zijn, gaat de fiscus vrijwel altijd vóór: de belastingschulden moeten als eerste worden voldaan. Alleen het recht van pand en het recht van hypotheek hebben een hogere rangorde dan de fiscale vorderingen. Deze twee zekerheidsrechten gaan vóór, maar niet altijd. Als het zekerheidsrecht gevestigd is op een ‘bodemgoed’ kan de ontvanger toch weer voordringen en zich als eerste verhalen op de opbrengst daarvan. De ontvanger heeft het wettelijk recht om zich te verhalen (voor met name zakelijke belastingschulden) op bepaalde roerende zaken die zich op de ‘bodem’ van de belastingschuldige bevinden. Die ‘bodem’ is het fabrieks- of bedrijfsterrein dat de belastingschuldige feitelijk in gebruik heeft en waarover hij de beschikkingsmacht heeft, onafhankelijk van derden. Eigendom is niet vereist, voldoende is dat de belastingschuldige een feitelijk gebruikrecht heeft. Met het bodemrecht kan de ontvanger zich verhalen op goederen van derden, die zich op de bodem van de belastingschuldige bevinden. Daarmee vormt het bodemrecht een inbreuk op het uitgangspunt – het rechtsbeginsel – dat een schuldeiser zijn vordering op de schuldenaar uitsluitend kan verhalen op het vermogen van die schuldenaar. Het bodemrecht is dan ook alom fel bekritiseerd.
De ontvanger kan het bodemrecht niet benutten om bestuurlijke boeten betaald te krijgen. Een bestuurlijke boete is een criminal charge, en het verhaal daarvan op het vermogen van een ander dan de ‘dader’ is in strijd met het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (het EVRM).
De ontvanger gaat vóór op andere schuldeisers. De bestuurder van een BV die het voldoen aan zijn fiscale verplichtingen achterstelt en andere – concurrente – crediteuren eerst betaalt, pleegt onbehoorlijk bestuur. De DGA die zijn rekening-courant vordering door de BV laat aflossen, waardoor de vennootschap onmogelijk aan haar fiscale betalingsverplichtingen kan voldoen, pleegt onbehoorlijk bestuur. Met alle gevolgen van dien.

Uitstel van betaling
De hoge preferentie van fiscale vorderingen bepaalt het beleid van de ontvanger bij verzoeken om uitstel van betaling. De fiscus zit vooraan in de rangorde van schuldeisers en wil graag als eerste betaald worden. De ontvanger hanteert dan ook een strak beleid bij het verlenen van uitstel van betaling. Dat beleid is voor zakelijke belastingschulden – denk aan de loon- en omzetbelasting en accijns – strenger dan voor particuliere belastingschulden, zoals de inkomsten- of vennootschapsbelasting.

De ontvanger is terughoudend om ondernemers uitstel van betaling te verlenen. De fiscus wil niet het ondernemersrisico dragen, en als kredietverstrekker gaan optreden. Verder werkt een betalingsregeling concurrentieverstorend tussen de belastingschuldige en zijn concurrenten, en daar wil de ontvanger niet aan meewerken. Kan er toch een betalingsregeling worden verkregen, dan is het een vast uitgangspunt dat het uitstel van betaling (voor ondernemers) niet langer kan duren dan 12 maanden. Die termijn begint te lopen op de laatste vervaldag van de belastingaanslag.
De ontvanger werkt niet mee aan een betalingsregeling als er sprake is van betalingsproblemen van structurele aard, of als de onderneming – naar de mening van de ontvanger – niet (meer) levensvatbaar is. Kan de belastingschuldige deze ‘hobbel nemen’, dan kan een van geval tot geval variërende betalingsregeling worden getroffen. Bij elke betalingsregeling gelden wél per definitie twee randvoorwaarden:
nieuwe fiscale verplichtingen die ontstaan vanaf het tijdstip van het verlenen van een betalingsregeling, moeten stipt worden nagekomen;
de ontvanger eist zekerheid tot de hoogte van de belastingschuld waarvoor uitstel van betaling wordt gevraagd.
De ontvanger kan aan het verlenen van uitstel van betaling vergaande voorwaarden verbinden. Denk aan het doen van termijnbetalingen, het stellen van zekerheid, een actieve informatieverstrekking, en dergelijke.

Versoepelde invordering belastingschulden
Financiën wil ondernemers die door de economische crisis in betalingsproblemen zijn gekomen, de helpende hand bieden door ze ruimer uitstel van betaling te verlenen voor hun zakelijke belastingschulden. Het gaat om een bijzondere regeling, naast de gebruikelijke, in de wet vastgelegde mogelijkheden om uitstel van betaling te krijgen. Met deze coulanceregeling kan – onder voorwaarden – uitstel van betaling worden verkregen voor een periode van meer dan 12 maanden, én zonder dat de ondernemer zekerheid moet verstrekken voor het volledige bedrag van de belastingschuld.
Het bijzondere uitstel is mogelijk voor de zakelijke belastingen van de ondernemer, zoals loon- en omzetbelasting, de sociale verzekeringspremies en de inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet, en voor de inkomsten- of vennootschapsbelasting.

De ondernemer die voor dit bijzondere uitstel van betaling in aanmerking wil komen moet ten genoege van de ontvanger aannemelijk maken dat er sprake is van betalingsproblemen:
  die het directe gevolg zijn van de economische crisis,
  die van tijdelijke aard zijn,
  die niet via zakelijke kredietverlening kunnen worden opgelost;
  én die voor een bepaald tijdstip zullen worden opgelost.
De regeling wordt niet toegepast als de onderneming al oude betalingsproblemen (van voor 2009) heeft, of als de betalingsmoeilijkheden voortkomen uit een andere oorzaak dan de huidige economische crisis. Vereist is voorts dat de ondernemer een gedegen inzicht moet geven in de maatregelen die hij getroffen heeft en die hij nog gaat nemen, om de gevolgen van de economische crisis het hoofd te bieden.
Het bijzondere uitstel wordt voor bepaalde tijd verleend. Bijzonder aan de regeling is dat de ondernemer een verklaring moet overleggen van een externe deskundige over de aard en oorzaak van zijn betalingsproblemen. Die deskundige moet ook zijn oordeel geven over de aannemelijkheid van de bedrijfseconomische perspectieven van de onderneming én de haalbaarheid van het inlopen van de betalingsachterstand. De fiscus stelt geen formele eisen aan die externe deskundige: het kan een externe consultant of financier zijn, maar ook de huisaccountant. Financiën heeft als handreiking een model gegeven voor de verklaring van de externe deskundige. De deskundigenverklaring is niet beslissend, de ontvanger is en blijft de enige beslissingsbevoegde autoriteit.

Rechtsmiddelen tegen afwijzing
Wijst de ontvanger het gevraagde uitstel van betaling af, dan kan de belastingschuldige daartegen een gemotiveerd beroepschrift indienen bij de directeur van de Rijksbelastingdienst. Hiervoor geldt een korte termijn van 10 dagen, vanaf de dagtekening van de beschikking waarbij het verzoek om uitstel van betaling is afgewezen.
Tegen de afwijzing van de ontvanger staat geen beroep bij de rechter open.
Een rechtsgang is wél mogelijk als de ontvanger overgaat tot invorderingsmaatregelen. De belastingschuldige kan dan het oordeel van de rechter vragen over het al dan niet zorgvuldig handelen door de ontvanger. In uitzonderingssituaties kan de belastingschuldige de rechter in kort geding om zijn oordeel vragen over de invorderingsmaatregelen van de ontvanger. De ervaring leert dat de rechter in die procedures de ontvanger meestal in het gelijk stelt.

Kwijtschelding en sanering
De ontvanger kan (gedeeltelijke) kwijtschelding verlenen van een belastingaanslag als de ondernemer niet in staat is om die aanslag, anders dan met buitengewoon bezwaar, (geheel of gedeeltelijk) te betalen. Een kwijtschelding voor zakelijke belastingen is uitzonderlijk. Zo’n tegemoetkoming leidt tot verstoring van concurrentieverhoudingen, en de fiscus mag zich daar niet schuldig aan maken.
Een ondernemer moet vanwege de hoge preferentie van fiscale vorderingen voorrang geven aan de fiscus bij het voldoen van zijn schulden. Doet de ondernemer dat niet, en betaalt hij concurrente schuldeisers eerst, dan kan er sprake zijn van onbehoorlijk bestuur. De ondernemer kan dan persoonlijk aansprakelijk worden gesteld voor betaling van de belasting.
De fiscus is wél bereid – onder voorwaarden – om deel te nemen aan een onderhands schuldenakkoord. Dat is een akkoord in het kader van een financiële reorganisatie van de onderneming, waarbij aan schuldeisers een beperkte betaling van hun vorderingen wordt aangeboden. De schuldeisers geven dan een deel van hun vordering prijs om de ondernemer in moeilijkheden te redden.
De fiscus werkt aan zo’n akkoord niet mee, als de ontvanger nog derden kan aanspreken om de openstaande belastingschulden van de ondernemer betaald te krijgen. Denk aan het inroepen van de keten- en inlenersaansprakelijkheid en natuurlijk de bestuurdersaansprakelijkheid.

De ontvanger verleent slechts medewerking aan een onderhands schuldenakkoord als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
er moet een reëel perspectief zijn dat de onderneming kan blijven voortbestaan na het tot stand komen van het akkoord.
het te ontvangen bedrag ter delging van de belastingschuld moet
  o minimaal dezelfde omvang hebben als de ontvanger kan incasseren door gebruik te maken van de hem ter beschikking staande invorderingsmaatregelen;
  o een wezenlijke omvang hebben, in absolute zin én in relatie tot de totale belastingschuld;
  o tenminste het dubbele percentage zijn van hetgeen de concurrente schuldeisers op hun vordering uitgekeerd krijgen. De ontvanger wil op praktische gronden nog wel eens akkoord gaan met een volledige betaling van schuldeisers met een bescheiden vordering. Als de concurrente schuldeisers een variërend percentage betaald krijgen, wil de ontvanger minimaal het dubbele van het gewogen gemiddelde ontvangen.
De ontvanger mag noch in percentage, noch in het tempo van betalingen achtergesteld worden bij (qua rangorde) gelijkgerechtigde schuldeisers.
De fiscale verplichtingen die tijdens de behandeling van de kwijtschelding opkomen, moet tijdig en volledig betaald worden: lopende verplichtingen moeten stipt worden nagekomen.
Als er communautaire belastingschulden zijn, moeten die volledig worden voldaan.

Om het verzoek tot kwijtschelding / sanering te beoordelen, vraagt de ontvanger een groot aantal stukken bij de belastingschuldige op. Denk aan de jaarstukken, een liquiditeitsprognose voor de komende 12 maanden, een gespecificeerd overzicht van de crediteuren met vermelding van gestelde zekerheden, een onderbouwde prognose voor de twee toekomende jaren; een specificatie van de werkelijke waarde van activa, en nog veel meer.

Rechtsmiddelen tegen afwijzing saneringsverzoek
Wijst de ontvanger de gevraagde sanering af, dan kan de belastingschuldige daartegen een gemotiveerd beroepschrift indienen bij de directeur van de Rijksbelastingdienst. Hiervoor geldt een termijn van 10 dagen na dagtekening van de beslissing van de ontvanger om een en ander af te wijzen. De directeur moet binnen zes weken beslissen op het beroepschrift.
Tegen de afwijzing staat geen beroep bij de rechter open. Een rechtsgang is wél mogelijk als de ontvanger overgaat tot het executeren van het vermogen van de onderneming. De belastingschuldige kan de rechter in een kort geding om zijn oordeel vragen, mits hij daarbij een spoedeisend belang heeft.

Conclusie
De ontvanger is een machtige schuldeiser, die een ondernemer in moeilijkheden kan ‘maken en breken’. De preferente positie van de ontvanger is te herkennen in een surplus aan juridische invorderingsmaatregelen én in het beleid van de fiscus voor uitstel, sanering en kwijtschelding van belastingschulden. Dat de ontvanger een preferente positie moet hebben om er voor te zorgen dat de schatkist krijgt wat haar toekomt, spreekt voor zich. De overheid moet op haar inkomsten kunnen rekenen, maar............ dat geldt toch ook voor ondernemers en andere crediteuren. De preferente positie van de ontvanger lijkt al te ver doorgeslagen.
Terug naar boven

Privacy

Deze website maakt gebruik
van cookies. Meer informatie