Vraagtekens

De afroommethode: geen regel, maar uitzondering

27 februari 2016

Hof Amsterdam heeft recent beslist dat het salaris van een directeur-grootaandeelhouder in eerste instantie moet worden vastgesteld met de vergelijkingsmethode. De afroommethode komt pas aan de orde als er geen goed vergelijkbare werknemer kan worden gevonden. Advocaat-generaal Niessen komt in een andere procedure bij de Hoge Raad tot dezelfde conclusie. Met de aanpassing van de gebruikelijkloon-regeling per 1 januari 2015 waarbij ‘de meest vergelijkbare dienstbetrekking’ als toets is geïntroduceerd, is het belang van de afroommethode geminimaliseerd.

De procedure voor Hof Amsterdam heeft betrekking op de uitspraak van Rechtbank Noord-Holland inzake de senior jurist die als eenpitter zijn werkzaamheden vanuit een BV verricht. Zie ook BelastingBelangen, december 2014: DGA: éénpitter, maar toch geen afroommethode. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd: het salaris van een DGA moet – ook als hij de enige werknemer van de BV is – allereerst worden vastgesteld met de vergelijkingsmethode. Er moet gekeken worden naar wat een goed vergelijkbare senior jurist die geen aanmerkelijkbelang-aandeelhouder is, in een soortgelijke dienstbetrekking (tot 2015) zou verdienen. De afroommethode komt pas in beeld als er geen of onvoldoende gegevens beschikbaar zijn over het gebruikelijke loon in de meest vergelijkbare dienstbetrekking (sinds 1 januari 2015). Die aanpak – met deze rangorde – vloeit voort uit de formulering en de strekking van de gebruikelijkloon-regeling.

1136_2016-01-012.jpgAdvocaat-generaal (AG) Niessen komt tot dezelfde conclusie in een andere procedure. De AG overweegt dat het doel van de regeling voor het gebruikelijk loon is om – met een marge van 25% – het fiscale loon vast te stellen op het niveau van een zakelijk te achten salaris. Dit betekent dat onderzocht moet worden of in de markt hogere lonen worden toegekend aan personen die vergelijkbare werkzaamheden anders dan als DGA in dienstbetrekking verrichtten. Dat is het toepassen van de vergelijkingsmethode. De afroommethode leidt volgens de AG niet tot de vaststelling van een vergelijkbaar loon, maar eerder tot ‘de voor loonbetaling beschikbare winst’. Volgens de AG mag de belastingrechter niet vrijelijk kiezen voor een van beide methodes: als een vergelijkbaar loon voorhanden is, kan de afroommethode niet worden toegepast.

Commentaar
Het wachten is nu op het eindoordeel van de Hoge Raad. De kans is groot dat ons hoogste rechtscollege de afroommethode alleen nog maar zal toestaan voor DGA’s waarvoor  ‘in de markt’ geen vergelijking is. En dat zijn absolute uitzonderingen. De wetgever gaat daar ook van uit: met het invoeren van de meest vergelijkbare dienstbetrekking als toets in de gebruikelijkloon-regeling is er kennelijk altijd een vergelijkbare positie – een comparable – te vinden.
Terug naar boven

Privacy

Deze website maakt gebruik
van cookies. Meer informatie