Vraagtekens

Door IB-ondernemer verstrekte lening: de vermogensetikettering

27 juni 2018

Een IB-ondernemer die een lening verstrekt aan een mede-ondernemer kan die lening tot zijn ondernemingsvermogen rekenen als hij de lening verstrekt in het kader van zijn normale bedrijfsuitoefening. De lening moet passen binnen de bedrijfsdoeleinden. Wordt de lening verstrekt uit tijdelijk overtollige liquide middelen binnen de onderneming, dan kan dat wat soepeler worden beoordeeld. Beslissend is dan of de tijdelijk overtollige liquide middelen zodanig worden belegd dat die weer tijdig beschikbaar kunnen zijn voor de eigenlijke bedrijfsdoeleinden. Bij risicovolle beleggingen is dat niet het geval. Aan dergelijke beleggingen zijn risico’s verbonden die buiten de onderneming liggen. Zo’n risicovolle belegging kan heel goed een aan een mede-ondernemer verstrekte lening zijn, zo blijkt uit een recente uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden.

Don Deraar verhuurde en handelde in vastgoed. Per 1 mei 2009 verstrekte hij een lening aan mede-ondernemer Bram Steng van € 45.000. Die lening was schriftelijk vastgelegd, in die overeenkomst werd herhaaldelijk vermeld dat het om een Tante Agaathleninglening ging. Zie ook BelastingBelangen, augustus 2016: Ongebruikelijke TBS-lening blijkt ODR-lening. Volgens de leenovereenkomst was Bram een jaarlijkse rente van 2,1% verschuldigd; de jaarlijkse aflossing was vastgesteld op € 7.500. De verstrekte gelden waren voor € 24.000 betaald vanaf de zakelijke bankrekening van Don, de rest had hij in contanten verstrekt. De lening was niet geregistreerd bij de Belastingdienst, zodat formeel geen sprake was van een Tante Agaathlening. Don had verzuimd de lening op te nemen op zijn balans per ultimo 2009.
Bram was in april 2008 gestart met een eenmanszaak: hij handelde in kleding en andere modeartikelen. Bram was een neef van Don Deraar: zij zagen elkaar regelmatig, ook op familiebijeenkomsten. Brams’s onderneming werd geen succes: op 18 november 2010 meldde hij Don dat hij niet in staat was om zijn lening af te lossen. Don reageerde daar boos op: hij eiste terugbetaling van de volledige € 45.000. Bij de vaststelling van zijn winst over 2010 waardeerde hij de lening op nihil, en bracht € 45.000 ten laste van zijn bedrijfswinst.
De inspecteur ging niet akkoord met die afwaardering, en Hof Arnhem-Leeuwarden ook niet in de daarop volgende procedure. Belanghebbende stelde dat hij de lening had verstrekt binnen het kader van zijn normale bedrijfsuitoefening, maar het Hof vond dat niet aannemelijk. Het verstrekken van een lening aan een ondernemer in kleding en modeartikelen paste niet bij belanghebbende’s bedrijfsactiviteiten. Het Hof vond ook opmerkelijk dat belanghebbende de lening niet had vermeld op de balans van zijn eenmanszaak ultimo 2009 en dat een flink deel van de lening in contanten, vanaf een privérekening was verstrekt waar de eenmanszaak op 1 januari 2009 beschikte over een bedrag van € 77.722 aan liquide middelen. Voorts was in de leenovereenkomst herhaaldelijk vermeld dat het om een Agaathlening ging, hetgeen wijst op een privé geldlening. Volgens het Hof was sprake van een risicovolle belegging, ook omdat de lening was achtergesteld en geen enkele zekerheid was bedongen. Als de debiteur de lening conform de leenovereenkomst met € 7.500 per jaar zou hebben afgelost, zou hij er zes jaar over hebben gedaan. Dit was volgens het Hof een aanwijzing dat de belegde middelen niet tijdig in de onderneming beschikbaar konden zijn. Het Hof stelde belanghebbende in het ongelijk en de Hoge Raad heeft die beslissing bevestigd.

Commentaar
Deze procedure is illustratief voor de vermogensetikettering van een door een IB-ondernemer verstrekte lening aan een mede-ondernemer. Dat deze procedure voor belanghebbende verkeerd afliep zal geen verbazing wekken.

Terug naar boven

Privacy

Deze website maakt gebruik
van cookies. Meer informatie