Vraagtekens

Geld in de zaak: overtollig of bittere noodzaak

29 juni 2013

Ondernemers met een pot met geld in de zaak. Ze zijn er – gelukkig – nog wel. Maar ze worden wel schaars. Steeds meer ondernemers krijgen door de aanhoudende crisis te maken met liquiditeitskrapte. En banken doen niet of nauwelijks meer mee om dat probleem op te lossen. Deze ontwikkeling in de markt raakt ook de ondernemers met geld in de zaak: de status van ‘de pot met geld’ verandert, van overtollige liquide middelen naar bittere noodzaak. En dat heeft fiscale gevolgen.

Liquide middelen: tijdelijk of blijvend overtollig

De status van liquide middelen in een bedrijf is fiscaal van belang. Liquide middelen kunnen als werkkapitaal fungeren, tijdelijk of blijvend overtollig zijn.
Werkkapitaal en tijdelijk overtollige liquide middelen zijn bedrijfsgebonden. Die hebben een duidelijke functie binnen de bedrijfsuitoefening. Met het werkkapitaal wordt gewerkt, de tijdelijk overtollige liquide middelen liggen ‘gereserveerd’ met een bedrijfsbestemming. Het is opzij gelegd voor de aanschaf van een bedrijfsmiddel, een deelneming, aflossing van een bedrijfsschuld, of nog weer een ander bedrijfsdoel. Als die plannen er zijn en goed onderbouwd kunnen worden, is de grens met blijvend overtollige liquide middelen goed te trekken.

841_2013-03-015.jpgBlijvend overtollige liquide middelen zijn niet (meer) dienstbaar aan de bedrijfsuitoefening. Dat is geld dat binnen de onderneming geen functie heeft. Tenminste, niet voor de bedrijfsvoering op korte termijn. Het is natuurlijk wel een buffer voor slechte tijden, als de onderneming in zwaar weer komt. En dat is vandaag de dag allesbehalve denkbeeldig. Dan is ‘de pot met geld in de zaak’ een bittere noodzaak.
De vraag komt vanzelf op: moet de status van liquide middelen statisch worden beoordeeld, of juist dynamisch? Kan de kwalificatie van blijvend overtollig voortvloeien uit een momentopname? Het antwoord op die vraag is richtinggevend voor de fiscale behandeling van geld in de zaak.

Fiscale gevolgen
De fiscale behandeling van tijdelijk en blijvend overtollige liquide middelen loopt fors uiteen. Dat manifesteert zich op meerder fronten. Bijvoorbeeld bij de vermogensetikettering bij ondernemingen in de inkomstenbelasting. Maar ook bij de toepassing van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit waar ondernemingsvermogen en beleggingsvermogen totaal verschillend behandeld worden.

Vermogensetikettering bij IB-ondernemingen
Volgens vaste rechtspraak moet een IB-ondernemer de blijvend overtollige liquide middelen tot zijn verplichte privévermogen rekenen. Blijvend overtollig geld heeft geen functie meer in de eenmanszaak, dus moet het van het ondernemingsvermogen overgebracht worden naar het privévermogen. Van box 1 naar box 3, met alle fiscale gevolgen van dien. Ik noem enkele consequenties.
De ondernemer die blijvend overtollig geld (in de onderneming) heeft belegd, en op die beleggingen verlies lijdt, kan die verliezen niet in aftrek brengen op de bedrijfswinst. Het verlies valt in box 3. De belastingrechter heeft dat bij herhaling beslist, ook in situaties waarin de Belastingdienst de verplichte overgang naar privé pas aan de orde stelt als het verlies op de beleggingen een feit is.
Het verplichte privé-etiket kan ook tot gevolg hebben dat het dekkingsvermogen voor de oudedagsreserve ‘ineens’ te laag blijkt. De verplichte overgang van de blijvend overtollige liquide middelen naar privé tast de omvang van het ondernemingsvermogen aan. Met als gevolg dat de toevoeging aan de oudedagsreserve achterwege moet blijven en de reserve ‘bevroren’ wordt.
Een laatste punt van verschil betreft de belastingdruk.
Als het blijvend overtollige geld in box 3 ‘risicoloos’ bij de bank wordt weggezet, levert dat momenteel 1,5% tot 2% rentevergoeding op. De forfaitaire rendementsheffing in box 3 - 30% over een forfaitair rendement van 4% – pakt dan genadeloos uit. Bij 1,5% rente is de belastingdruk 80%, bij 2% rente 60%! Box 3 is allang geen ‘pretbox’ meer. Als de liquide middelen in de onderneming tegen 1,5% rente worden weggezet, is de belastingdruk een heel stuk lager. Die komt uit maximaal 44,7%, te weten 52% van 86% (100% minus 14% MKB-winstvrijstelling).

Deze voorbeelden maken duidelijk dat de IB-ondernemer belang heeft bij een dynamische kwalificatie van de overtollige liquide middelen in zijn eenmanszaak. De fiscale behandeling van liquiditeiten die op termijn, bij zwaar weer, bittere noodzaak zijn om te overleven, leveren op korte termijn een gunstiger fiscale behandeling op.

De bedrijfsopvolgingsfaciliteit (de BOF)
Bij toepassing van de BOF is het onderscheid tussen ondernemings- en beleggingsvermogen van groot belang. Dat onderscheid bepaalt of de aanmerkelijkbelang-heffing kan worden doorgeschoven, en of de BOF voor de schenk- of erfbelasting van toepassing is. Beide faciliteiten zijn vaker, uitgebreid in BelastingBelangen aan de orde gesteld. Zie ook: BelastingBelangen, oktober 2009: Belastingplan 2010: aanpassing doorschuifregeling bij vererving AB-aandelen, en Belastingplan 2010: doorschuiven AB-claim bij schenking van aandelen, en BelastingBelangen, december 2009: Schenken of erven van ondernemingsvermogen: 100% vrijstelling tot € 1 miljoen.
De wetgever heeft deze fiscale gunstregelingen nadrukkelijk bedoeld om de overdracht van materiële ondernemingen te faciliteren. Niet de overdracht van beleggingsvermogen. Beleggingsvermogen ziet op het saldo van beleggingen, minus de daarvoor ter financiering daarvan aangegane schulden. Ook vermogen dat blijvend overtollig is – zoals liquide middelen – wordt als beleggingsvermogen getypeerd. De onderneming in materiële zin heeft dat geld immers niet (direct) nodig.
Ook hier kunnen de gevolgen van een momentopname van de fiscale status van liquide middelen in de zaak groot zijn.

Een voorbeeld ter illustratie
DGA Karelsen houdt alle aandelen in BV X. Die BV heeft een (geconsolideerde) waarde van € 1,5 miljoen. Van het ondernemingsvermogen staat € 300.000 op een depositorekening bij de bank; het zijn blijvend overtollige liquide middelen. Als DGA Karelsen overlijdt, en – stel – zijn vermogen vererft aan zijn enige (meerderjarige) zoon of dochter, en er wordt voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de AB-doorschuifregeling en de BOF – dan pakt een en ander cijfermatig als volgt uit.

De AB-doorschuifregeling en BOF kunnen uitsluitend worden toegepast op het 
ondernemingsvermogen van € 1.200.000. De € 300.000 deposito is beleggingsvermogen. De wet staat toe om hierbij een 5% marge aan te houden: het ondernemingsvermogen komt zodoende uit op 105% van € 1,2 mln. = € 1.260.000, het beleggingsvermogen op € 240.000.
Dat beleggingsvermogen wordt fiscaal niet gefaciliteerd. DGA Karelsen is daarover (postuum) 25% aanmerkelijkbelang-heffing verschuldigd, ofwel € 60.000 (waarbij de verkrijgingsprijs van deze aanmerkelijkbelang-aandelen gemakshalve op nihil is gesteld).
De nalatenschap neemt door deze heffing met € 60.000 af, en komt uit op € 1.440.000.
Daarvan is € 1.260.000 ondernemingsvermogen.
Van dat ondernemingsvermogen is (in 2013) vrijgesteld:
- 100% vrij € 1.028.132
- 83% van het surplus van € 231.868 = €    192.450
Totaal € 1.220.582
   
De nalatenschap bedraagt netto: € 1.440.000
De belaste verkrijging is derhalve €    219.418
Dat kost de (meerderjarige) zoon of dochter aan erfbelasting €      28.150

De totale belastingheffing door het overlijden van DGA Karelsen komt daardoor uit op € 88.150
(€ 60.000 AB-heffing en € 28.150 erfbelasting).

Als de € 300.000 deposito wél als ondernemingsvermogen wordt aangemerkt, komt de belastingheffing door het overlijden een stuk gunstiger uit.
De aanmerkelijkbelang-heffing kan volledig worden doorgeschoven naar de erfgenaam zoon of dochter.
De erfbelasting bedraagt over de nalatenschap van € 1.500.000
- vrijgesteld ondernemingsvermogen  
   - 100% vrij = € 1.028.132
   - 83% van het surplus van € 471.868 = €    391.650
   - In totaal € 1.419.782
 
De belastbare verkrijging is derhalve € 80.218.
Dat kost de (meerderjarige) zoon of dochter aan erfbelasting € 6.068.
En dat is de totale heffing.
Een verschil van ruim € 82.000 met de situatie waarin de overtollige liquide middelen als beleggingsvermogen zijn getypeerd.

Conclusie
De terughoudende opstelling van banken en andere kredietverleners moet gevolgen hebben voor de fiscale kwalificatie van liquide middelen in de onderneming. Ondernemers die vermogen in de zaak oppotten, als buffer voor zwaar weer, dienen daarmee een bedrijfsbelang. En dat rechtvaardigt om die liquide middelen als bedrijfsvermogen aan te merken.
Terug naar boven

Privacy

Deze website maakt gebruik
van cookies. Meer informatie