Vraagtekens

Het einde van de BTW-fiscale eenheid

28 augustus 2015

De fiscale eenheid voor de omzetbelasting eindigt van rechtswege: zodra niet meer wordt voldaan aan de verwevenheidseis – en de verbonden ondernemers niet langer ‘in financieel, organisatorisch en economisch opzicht een eenheid vormen’– houdt de fiscale eenheid op te bestaan. Als de inspecteur het beëindigen van de fiscale eenheid bij beschikking constateert, kan tegen die beschikking géén bezwaar worden gemaakt.

Ondernemers die in Nederland wonen of gevestigd zijn en die in financieel, organisatorisch en economisch opzicht zodanig zijn verweven dat zij een eenheid vormen, worden, al dan niet op verzoek, voor de heffing van omzetbelasting als één ondernemer aangemerkt. De fiscale eenheid voor de omzetbelasting is verplicht: zodra aan de verwevenheidseis is voldaan bestaat de eenheid, ook als de betreffende ondernemers dat niet willen.
De fiscale eenheid voor de omzetbelasting biedt voor- en nadelen. Een groot voordeel is dat op de onderlinge prestaties tussen de verbonden ondernemers geen BTW in rekening hoeft te worden berekend, en daar ook geen facturen voor moeten worden uitgereikt. Nadeel is de hoofdelijke aansprakelijkheid van de verenigde ondernemers voor de verschuldigde omzetbelasting. Die hoofdelijke aansprakelijkheid ontstaat pas als de inspecteur de fiscale eenheid bij beschikking heeft vastgesteld. Zolang die beschikking niet is afgegeven kan er al wel een fiscale eenheid bestaan – omdat aan de vereiste verwevenheid is voldaan – maar is de hoofdelijke aansprakelijkheid niet aan de orde.
Tegen de beschikking bij de totstandkoming van de fiscale eenheid is bezwaar en beroep mogelijk. Dat is niet het geval bij de beschikking waarbij de inspecteur het einde van de fiscale eenheid vaststelt. De fiscale eenheid eindigt van rechtswege, op het tijdstip dat niet meer aan de eis van verwevenheid wordt voldaan. Den Haag heeft dat onlangs bevestigd.
De berechte casus betreft onderwijsinstelling X die tot begin 2009 gebruik maakte van een extern schoonmaakbedrijf. De instelling besloot de schoonmaak in eigen beheer te gaan uitvoeren en richtte daar een dochtervennootschap voor op. X vroeg om een fiscale eenheid voor de omzetbelasting met die BV, de inspecteur verleende die bij beschikking op 12 juni 2009. In de jaren daarop ging de BV steeds meer werkzaamheden voor derden verrichten. Dat had tot gevolg dat eind 2012 niet langer voldaan werd aan de vereiste economische verwevenheid. De inspecteur gaf op 21 december 2012 een beschikking af met de mededeling dat de eenheid per 1 januari 2013 was beëindigd. Onderwijsinstelling X maakte daartegen bezwaar, de inspecteur verklaarde dat bezwaarschrift niet ontvankelijk. X claimde vervolgens een dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op haar bezwaarschrift, de inspecteur wees dat af. Rechtbank Den Haag was het daarmee eens. Een fiscale eenheid voor de omzetbelasting eindigt van rechtswege, bezwaar en beroep tegen de beschikking van de inspecteur is niet mogelijk. De inspecteur had het bezwaarschrift van X terecht niet ontvankelijk verklaard en de dwangsom afgewezen.

Commentaar
Ondernemers moeten het einde van een fiscale eenheid voor de omzetbelasting goed bewaken. De fiscale eenheid eindigt van rechtswege als niet meer aan de wettelijke vereiste verwevenheid wordt voldaan, de beschikking waarbij de inspecteur dat meedeelt heeft geen rechtskracht. Maar ondanks het beëindigen van de fiscale eenheid loopt de hoofdelijke aansprakelijkheid wel gewoon door. De Invorderingswet is daar glashelder in: zolang de inspecteur niet schriftelijk is geïnformeerd over het beëindigen van de fiscale eenheid blijft de hoofdelijke aansprakelijkheid bestaan. Ook voor de omzetbelasting die verschuldigd wordt ná het verbreken van de fiscale eenheid! Vergeet u niet op tijd de inspecteur te informeren?

Terug naar boven

Privacy

Deze website maakt gebruik
van cookies. Meer informatie