Vraagtekens

Navordering of foutenleer?

18 februari 2010

Binnen mijn eenmanszaak heb ik jarenlang een garantievoorziening opgebouwd, maar bij een recent boekenonderzoek door de Belastingdienst is gebleken dat die voorziening geen bestaansrecht heeft. Door de toevoegingen aan die voorziening heb ik een flink aantal jaren te weinig winst aangegeven. De inspecteur gaat die fout corrigeren bij het vaststellen van de aanslag over 2007. Voor de jaren 2008 en 2009 kan ik in de (nog in te dienen) aangifte alsnog het juiste stelsel toepassen. Over 2005 en 2006 wil de inspecteur mij een navorderingsaanslag opleggen vanwege de te laag aangegeven winst.
Tot zover is het wat mij betreft allemaal akkoord. Maar nu komt het. Ik ben in 2001 begonnen met het vormen van de garantievoorziening. De inspecteur heeft mij gevraagd of ik over 2001, 2002, 2003 en 2004 vrijwillig de belasting wil betalen die gemoeid is met de correctie van de garantievoorziening over die jaren. Als ik dat niet wil, gaat hij de fout herstellen door de foutenleer toe te passen. Kan dat zo maar? Kan de inspecteur met die foutenleer alsnog correcties doorvoeren over jaren waarover hij niet meer kan navorderen?

Antwoord

Ja, dat kan. U heeft kennelijk ten onrechte een garantievoorziening gevormd sinds 2001, en de inspecteur kan – beter gezegd: moet – deze fout corrigeren. Om te beginnen natuurlijk de winst over de jaren waarover de aanslag nog niet definitief is geregeld. Dat zijn de jaren 2007, 2008 en uiteraard 2009. De inspecteur kan de ingediende aangifte over 2007 corrigeren: de aangegeven winst wordt dan verhoogd met de onterechte toevoeging aan de voorziening. Voor 2008 en 2009 moet de aangifte nog worden ingediend; voor die twee jaren kunt u alsnog het juiste stelsel van winstberekening toepassen in de aangifte. Voor de jaren waarover de aanslag al definitief vaststaat, kan de inspecteur een navorderingsaanslag opleggen. De bevoegdheid om na te vorderen vervalt vijf jaar na het einde van het belastingjaar. In de gegeven situatie zou de inspecteur dus nog kunnen navorderen over 2005 en 2006. Maar dan moet er wel sprake zijn van een nieuw feit, een feit dat de inspecteur ten tijde van het vaststellen van de aanslag niet kende en ook redelijkerwijs niet kon kennen. De eis van een nieuw feit vervalt als de belastingplichtige te kwader trouw is, dan kan de inspecteur altijd navorderen binnen de wettelijke termijn. Die termijn is voor binnenlandse inkomsten 5 jaar, voor buitenlandse inkomsten 12 jaar.
Als er niet nagevorderd kan worden, bijvoorbeeld omdat de termijn is verstreken of het nieuwe feit ontbreekt, dan komt de foutenleer om de hoek kijken. Als u vrijwillig de belasting betaalt over de jaren dat er geen navordering meer mogelijk is, is daarmee de kous af. Bij die vrijwillige belastingbetaling zal er ook heffingsrente moeten worden betaald: tenslotte heeft u al die tijd “ten onrechte’ belastinggeld onder u gehad.

Bent u niet bereid tot vrijwillige belastingbetaling, dan mag de inspecteur de fout corrigeren door de winst van het oudste openstaande jaar te verhogen met het totaalbedrag van de tot aan dat jaar gemiste winst. Dan blijven de navorderingsaanslagen achterwege.
Door de correctie in het oudste openstaande jaar door te voeren, kan de winst over dat jaar flink omhoog schieten. Dat leidt tot een tariefnadeel vanwege het progressieve tarief. De inspecteur moet hiervoor een redelijke oplossing vinden: hij moet compensatie bieden. Daarbij gaat het niet alleen om het tariefsnadeel, maar ook om het bedrag aan nadeel dat geleden is, plus de daarover berekende nadelen (zoals de heffingsrente). Dat zal niet altijd eenvoudig vast te stellen zijn. Dat de foutenleer de navorderingstermijn opzij kan zetten, is onbetwist.

Terug naar boven

Privacy

Deze website maakt gebruik
van cookies. Meer informatie