Vraagtekens

Onzorgvuldig handelend inspecteur: € 10.000 kostenvergoeding

23 februari 2011

De wet geeft de rechter de bevoegdheid om een procespartij te veroordelen in de kosten die de andere partij heeft moeten maken voor de behandeling van het bezwaar en beroep. De wet kent daarvoor forfaitaire, karige proceskostenvergoedingen. De rechter kan van die normbedragen afwijken als er sprake is van ‘bijzondere omstandigheden’. Dat is bijvoorbeeld aan de orde als de inspecteur onzorgvuldig handelt, zo blijkt uit een recente uitspraak van Rechtbank Arnhem: de inspecteur werd veroordeeld tot betaling van een kostenvergoeding van € 10.000.

Bas Smit was handelaar in gebruikte personenauto's. Smit vergat regelmatig om BTW-aangiften in te dienen, en ook voor de inkomstenbelasting 2005 en 2006 diende hij geen aangifte in. De Belastingdienst legde Smit voor de BTW over de jaren 2006, 2007 en 2008 systeemaanslagen op, voor de inkomstenbelasting werden hem over 2005 en 2006 ambthalve aanslagen opgelegd. De inspecteur kondigde een boekenonderzoek aan, maar zover kwam het niet. Bij de voorbereiding van dat onderzoek constateerde de inspecteur dat er op naam van Smit auto’s uit Duitsland werden ingevoerd, en dat er volgens een query bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer in de periode van 2005 tot 2008 niet minder dan 642 auto’s op zijn naam hadden gestaan. Dat volume aan bedrijfsactiviteiten was veel groter dan uit de schaarse BTW-aangiften kon worden afgeleid. In een daaropvolgend gesprek merkte de inspecteur Smit als verdachte aan: hij werd verdacht van het opzettelijk niet doen van aangiften omzetbelasting, dan wel het opzettelijk onjuist indien van aangiften omzetbelasting en inkomstenbelasting. De deurwaarder reikte Smit direct daarop een stapel aanslagbiljetten uit met een fors bedrag aan te betalen belasting.

533_2011-02-008.jpgSmit verzette zich tegen al die aanslagen. Bijgestaan door een nieuwe adviseur werd de bedrijfsadministratie alsnog opgezet, en met de Belastingdienst een compromis gesloten over de (navorderingsaanslagen) IB en BTW. Ondanks dat compromis ging Smit toch in beroep bij Rechtbank Arnhem. Dat geschil betrof uitsluitend de hoogte van de kostenvergoeding. Smit claimde een vergoeding van de werkelijke proceskosten van € 33.277, de inspecteur vond € 6.440 meer dan redelijk.
Rechtbank Arnhem besliste dat uit de stukken bleek dat de bedrijfsadministratie van Smit niet deugdelijk was, en dat hij zijn fiscale verplichtingen als ondernemer niet correct had nageleefd. De inspecteur had voldoende gegevens aangedragen om de aan Smit opgelegde (ambtshalve) aanslagen te rechtvaardigen. Maar daarna, bij het behandelen van de bezwaarschriften tegen die aanslagen, had de inspecteur jegens Smit niet de zorgvuldigheid en voortvarendheid betracht die van hem verwacht kon worden. De inspecteur had ten onrechte geen onderzoek ingesteld naar het verweer van Smit dat een groot deel van de 642 auto’s niet zijn eigendom was. De inspecteur had ook in vergaande mate onzorgvuldig gehandeld door niet te reageren op de verzoeken van Smit’s gemachtigde om inzage te krijgen in de stukken, een hoorzitting te plannen en de bedrijfsadministratie te retourneren. De kosten van Smit voor rechtsbijstand waren door de opstelling van de inspecteur onnodig hoog opgelopen. De rechtbank vond een vergoeding van de volledige proceskosten te ver gaan, een vergoeding van € 10.000 was redelijk.

Commentaar
De inspecteur moet als overheidsdienaar niet alleen rechtmatig, maar ook behoorlijk handelen. Doet hij dat niet, dan kan de rechter dat bestraffen met een proceskostenvergoeding die veel hoger is dan de wettelijke normbedragen.
Terug naar boven

Privacy

Deze website maakt gebruik
van cookies. Meer informatie