Vraagtekens

Aftrekbaar boekverlies voor vijf maanden in bedrijfsvermogen opgenomen woning

16 december 2020

Rechtbank Noord-Nederland accepteert in de volgende zaak dat een IB-ondernemer een woning tot het ondernemingsvermogen had kunnen rekenen, die al na vijf maanden met een boekverlies naar privé ging.

Een vrouw was in loondienst bij haar eigen BV. In 2011 kocht zij privé een stuk grond voor de bouw van een woning met een kantoor aan huis. In april 2013 startte de bouw van de woning. In mei 2013 werd met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2013 een vof opgericht waarvan de vrouw en haar BV de firmanten waren. De vrouw kwalificeerde de hele woning (in aanbouw) als buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen. Eind 2014 verkocht zij haar aandeel in de vof aan de BV. De vof werd opgeheven en de woning ging per die datum over naar privé voor de waarde bewoond. De woning was toen vijf maanden door de vof gebruikt. De vrouw trok in haar aangifte IB 2014 een boekverlies af van € 262.028 in verband met de waardedruk bewoond. De inspecteur accepteerde dat niet. Volgens hem waren de grenzen der redelijkheid overschreden door de woning te etiketteren als ondernemingsvermogen. Daarnaast stelde hij dat het pand door een samenstel van rechtshandelingen alleen maar tot het ondernemingsvermogen was gerekend om de waardedrukkende factor in verband met zelfbewoning snel te gelde te maken. Door toepassing van het besluit van de staatssecretaris van 31 augustus 2009 (CPP2009/1092M) was volgens de inspecteur een kunstmatig verlies gecreëerd. De vrouw ging met succes in beroep.

Rechtbank Noord-Nederland (ECLI:NL:RBNHO:2020:3214) besliste dat de woning keuzevermogen was omdat sprake was van een niet-splitsbare onroerende zaak die in 2014 voor meer dan 10% zakelijk werd gebruikt. Volgens de Rechtbank mocht de gehele woning tot het ondernemingsvermogen worden gerekend en was de vrouw binnen de grenzen der redelijkheid gebleven. Het standpunt van de inspecteur kwam erop neer dat naast de 10%-eis een aanvullende toets aan de redelijkheid werd gesteld, maar volgens de Rechtbank waren de grenzen der redelijkheid hier juist ingevuld door die 10%-toets. De vrije etiketteringskeuze van de woning werd ook niet beperkt doordat de woning uiteindelijk maar vijf maanden tot het ondernemingsvermogen had behoord, ongeacht of op het moment van etikettering al dan niet duidelijk was dat de woning na vijf maanden het ondernemingsvermogen weer zou verlaten. De Rechtbank besliste dat ook geen sprake was van fraus legis omdat binnen de grenzen der redelijkheid een keuze was gemaakt. De Rechtbank verklaarde het beroep van de vrouw gegrond.

Terug naar boven

Privacy

Deze website maakt gebruik
van cookies. Meer informatie